Stichting Vertellen Storytelling Foundation Nationale Verteldagen U zoekt een verhaal? Boekenlijst Links  Over vertellen  Vragen
Vertellers Vertelcursussen

Vertelkringen

Vertelhuizen Mailinglijst Vertelagenda Contact Startpagina  
STICHTING VERTELLEN  Platform voor de Vertelkunst in Nederland
 

Moppen en het boze oog                                                  

Enkele aspecten van mondelinge vertelcultuur op een multi-etnische middelbare school in de Utrechtse wijk Lombok en daarbuiten

Theo Meder

Inleiding

Eind 1999 hielden de onderzoekers van het TCULT-project (Talen en Culturen in het Utrechtse Lombok en Transvaal) een enquête op het De Bruijne Lyceum even buiten de multiculturele wijk Lombok in de stad Utrecht. In deze enquête heb ik vragen gesteld naar het vertellen en beluisteren van moppen en naar de bekendheid met bepaalde verhaalthema’s. Het zijn vragen die voortkomen uit het wetenschappelijk onderzoek naar volksverhalen en dagelijkse vertelcultuur. Uit de beperkte hoeveelheid vragen die ik gesteld heb, valt natuurlijk nauwelijks een echt beeld te reconstrueren van de schoolse en buitenschoolse vertelcultuur - daarvoor blijven er teveel onderwerpen liggen. Ik heb slechts een aantal vragen gesteld die mijn nieuwsgierigheid prikkelden. Verder hoopte ik met de antwoorden een hoeveelheid echte ‘vertellers’ op het spoor te komen, die zouden willen meedoen aan een vervolg-onderzoek. Dat vervolg bestond voornamelijk uit interviews, waarin de leerlingen zelf zoveel mogelijk aan het woord zijn gelaten en verhalen mochten vertellen.

Over dit vervolg-onderzoek wordt elders gerapporteerd (zie de literatuur aan het slot). Hier ga ik in op de resultaten van de enquête en op de correlaties waarop ik gestuit ben. Ik zal telkens bespreken welke uitkomst ik verwacht had, en wat de werkelijke uitkomst was, en ik zal eventuele verschillen tussen verwachting en uitkomst trachten te verklaren.

Moppen

Over het vertellen en horen van moppen zijn de volgende twee vragen gesteld in de enquête:

1. Vertel je wel eens moppen?

nooit

soms

regelmatig

vaak

elke dag

2. Hoor je wel eens moppen vertellen?

nooit

soms

regelmatig

vaak

elke dag

De meest voor de hand liggende vraag is hier hoe de school (brugklas, mavo, havo, vwo) als geheel gescoord heeft. Op het punt van het vertellen van moppen had ik verwacht dat het merendeel voor ‘regelmatig’ zou kiezen. Wat betreft het horen van moppen had ik van een meerderheid het antwoord ‘vaak’ verwacht. In beide gevallen blijken mijn verwachtingen iets te hooggestemd te zijn geweest. Over de hele school genomen hebben de leerlingen wat gematigder geantwoord - ik heb de ‘mopcultuur’ op school enigszins overschat. Bijna de helft van de leerlingen (49,7%) vertelt ‘soms’ een mop. En het hoogste percentage leerlingen (30,9%) hoort ‘regelmatig’ een mop.

 

Vertel je wel eens moppen?

Hoor je wel eens moppen vertellen?

nooit

2,0%

0,4%

soms

49,7%

27,2%

regelmatig

23,0%

30,9%

vaak

14,3%

26,0%

elke dag

9,2%

12,9%

blanco

1,8%

2,7%

totaal

100,0%

100,0%

Mijn veronderstelling dat jongens wat vaker moppen vertellen dan meisjes, werd statistisch bevestigd. Terwijl ruim de helft van de meisjes (59,8%) aangeeft ‘soms’ een mop te vertellen (jongens 39,6%), scoren de jongens vooral bovengemiddeld in de categorieën ‘vaak’ en ‘elke dag’ (resp. 17,1% en 15%; niet in tabel). Als het gaat om het luisteren naar moppen, dan zijn de verschillen tussen jongens en meisjes aanzienlijk geringer. De conclusie mag luiden dat jongens wat vaker als moppentappers optreden dan meisjes - een gegeven dat ook al eerder in de literatuur is vastgesteld en dat deels samenhangt met het rollenpatroon van mannelijk verbaal bravoure. Maar zowel jongens als meisjes krijgen alles bij elkaar ongeveer evenveel moppen te horen. Meisjes krijgen derhalve evenveel moppen aangeboden, maar gaan er wat passiever mee om. Van meisjes hoor je ook vaak de reactie: "Ik vind moppen wel leuk, maar ik kan ze niet onthouden" en daardoor ook niet doorvertellen.

Er blijkt ook een relatie te bestaan tussen de leeftijd van leerlingen en het vertellen van moppen. Tussen de 12 en de 18 jaar zien we de categorieën ‘elke dag’, ‘vaak’ en ‘regelmatig’ percentueel teruglopen, terwijl de categorie ‘soms’ steeds groter wordt. Zegt 25,2% van de 12-jarigen nog ‘vaak’ een mop te vertellen, bij de 18-jarigen is daar niets van overgebleven (0%). En terwijl 40,7% van de 12-jarigen zegt ‘soms’ een mop te vertellen, loopt dit op tot 76,9% onder de 18-jarigen. Kennelijk worden leerlingen metterjaren wat serieuzer en grijpen ze voor humor in de communicatie misschien minder vaak terug op geprefabriceerde grappen, maar vertrouwen meer op hun eigen humoristische creativiteit.

Het beeld voor het horen van moppen in relatie tot de leeftijd van de leerlingen is veel gelijkmatiger, stabieler en vergelijkbaar met het schoolgemiddelde (zie boven). Eigenlijk schommelen de getallen steeds rond de 30% voor wat betreft het ‘soms’, ‘regelmatig’ of ‘vaak’ horen van moppen, onafhankelijk van de leeftijd van de leerling. De enige opmerkelijke uitschieter is de 46,2% van de 18-jarigen die zeggen ‘regelmatig’ een mop te horen (dit gaat dan vooral ten koste van de categorie ‘vaak’). Mijn verwachtingen komen maar ten dele uit. De verwachting dat het moppen vertellen onder jongere leerlingen meer bedreven werd dan onder oudere, klopte. De gedachte dat jongere leerlingen ook vaker moppen zouden horen, werd niet bewaarheid. Naarmate de leeftijd vordert neemt de hoeveelheid moppentappers af, maar dit gaat niet ten koste van de regelmaat waarmee leerlingen moppen te horen krijgen. Dat zou kunnen betekenen dat leerlingen op latere leeftijd een bredere kring van vrienden en kennissen verwerven, en dat men in diverse kringen altijd wel weer een moppenverteller aantreft.

Ik meende ook te mogen aannemen dat er in de lagere opleidingen vaker moppen werden verteld dan in de hogere opleidingen. Maar als je de mavo, de havo en het vwo met elkaar vergelijkt, dan ontlopen de percentages elkaar nauwelijks. In alledrie de schooltypen zegt circa 50% ‘soms’ moppen te vertellen, zo’n 20% vertelt ze ‘regelmatig’ en zo’n 10% vertelt ze ‘vaak’. De grootste verschillen treden op als we de drie schooltypen afzetten tegen de brugklassen, waarin 39,2% ‘soms’ moppen vertelt (beneden het gemiddelde), en 24,6% ‘vaak’ (boven het gemiddelde). De opleiding levert hier dus geen effect op, maar (waarschijnlijk) wel de leeftijd - zoals we hierboven ook al zagen.

Bij het horen van moppen per schooltype is het beeld nog stabieler: elk schooltype sluit tamelijk nauw aan bij het schoolgemiddelde zoals in bovenstaande tabel weergegeven. Ook de brugklas voegt zich ditmaal heel behoorlijk naar het algemene patroon. Nogmaals kwam mijn aanname niet uit dat er meer moppen werden gehoord in de lagere opleidingen. De suggestie dat er een samenhang is tussen (een lagere) opleiding en appreciatie van de mop (en daarmee de bereidheid om er een te vertellen of aan te horen), is afkomstig uit de literatuur, maar de informanten zijn dan doorgaans al van school af. Het is best mogelijk dat de distinctie pas later optreedt, en dat de opleiding op jongere leeftijd wegvalt tegen een factor als (school-)jongerencultuur, waarbinnen een mop doorgaans binnen alle geledingen nog wel op een gewillig oor kan rekenen.

Een intrigerende vraag is of wellicht de religieuze achtergrond van de leerlingen van invloed is op het horen of vertellen van moppen. Mijn voorspelling luidde dat het geloof geen rol speelt in deze kwestie, en deze voorspelling komt ook uit. Als we de vier grootste ‘geloofsgroepen’ op school bezien, te weten protestanten, katholieken, moslims en atheïsten, dan blijkt bij het horen van moppen dat de percentages wederom keurig blijven schommelen rond het schoolgemiddelde. Voor het vertellen van moppen geldt precies hetzelfde: protestanten, katholieken, moslims en atheïsten vertellen er allemaal ongeveer evenveel. De enige curieuze statistische uitschieter vinden we onder de hindoestanen. Zij lijken terughoudender in het vertellen van moppen: niet minder dan 75% zegt slechts ‘soms’ een mop te vertellen. Men zou kunnen veronderstellen dat hindoestanen vanuit hun culturele achtergrond minder geneigd zijn om zich in het middelpunt van de belangstelling te plaatsen, en daardoor minder snel moppen vertellen. Overigens zeggen deze bevindingen over (het gebrek aan) samenhang tussen religie en moppen vertellen of horen natuurlijk niets over de aard van de moppen. Het is beslist aannemelijk dat de verschillende religieuze groepen uiteenlopende voorkeuren voor bepaalde moppen-genres aan de dag leggen. Hieromtrent kan de enquête echter geen uitsluitsel geven.

Tot slot kijken we nog naar de thuistaal van de leerlingen. In de opvattingen van TCULT geeft de thuistaal een goede indicatie van de identiteit of de etniciteit van de leerlingen. Wie thuis primair Turks spreekt, zal zichzelf ook in de eerste plaats tot de etnische groep van de Turken rekenen. Wie thuis eerst Marokkaans Arabisch of Berbers heeft leren spreken, voelt zich bovenal Marokkaan. Mijn voorspelling luidde dat noch bij het moppen horen, noch bij het moppen vertellen de etniciteit (evenmin als de religie) een doorslaggevende factor zou zijn. Dat blijkt niet helemaal te kloppen. Terwijl de Nederlanders en de Surinamers zich redelijk naar het schoolgemiddelde lijken te voegen, wijken de Marokkanen en de Turken af, ook onderling. Blijkens een relatieve uitschieter van 33% geven de Marokkanen te kennen ‘vaak’ moppen te horen. Bij de Turken vinden we juist een flinke uitschieter van 41,3% van de leerlingen die slechts ‘soms’ een mop horen. De enquête wijst uit dat Nederlanders en Surinamers een gemiddelde hoeveelheid moppen te horen krijgen. Vergelijkenderwijs horen de Turken er minder dan het gemiddelde, en de Marokkanen juist meer dan het gemiddelde.

De genoemde verschillen laten zich buitengewoon lastig verklaren. Het lijkt uitgesloten dat de ene cultuur meer gevoel voor humor zou hebben dan de andere. Wel zou men de sociaal-maatschappelijke positie als factor kunnen aanvoeren: humor wordt niet zelden ingezet als een defensie-mechanisme en kan fungeren als een uitlaatklep voor onlustgevoelens en onvrede. Vanuit deze redenering zou de Turkse groep aangewezen kunnen worden als de sociaal-maatschappelijk meest ‘stabiele’ en de Marokkanen als de meest ‘labiele’ groep. De Nederlanders en de Surinamers nemen dan een gemiddelde tussenpositie in. Dit beeld sluit wel enigszins aan bij ander onderzoek, waarin de Turkse gemeenschap naar voren komt als hechte, sociaal georganiseerde groep met een sterk ontwikkelde culturele identiteit en Turks-nationale trots. Dergelijke sterke gevoelens van identiteit en eigenwaarde worden onder Marokkanen, met name Berbers, minder aangetroffen en lijken ook nauwelijks gevoed te worden vanuit het moederland. De sociale cohesie is doorgaans geringer. Mogelijk speelt de schoolsituatie bij de Marokkaanse leerlingen ook een rol. Niet zelden hebben Marokkaanse ouders (te) hooggespannen verwachtingen van school en hun schoolgaande kinderen - verwachtingen waaraan de leerlingen lang niet altijd kunnen voldoen. Vanuit die minder stabiele positie lijken de Marokkanse leerlingen meer behoefte aan humor te hebben: immers, hoe meer druk op de ketel, des te meer behoefte om de spanning te ontladen.

Overigens zet de trent zich ten dele voort bij het vertellen van moppen, maar nu scoren zowel de Nederlanders en de Surinamers als de Turken ongeveer gemiddeld. Alleen de Marokkanen geven weer aan vaker moppen te vertellen, met een uitschieter van 18,1% van de Marokkaanse leerlingen dat zegt ‘elke dag’ moppen te vertellen.

Hierboven is - kort samengevat - gebleken dat de factoren geslacht, leeftijd, opleiding en religie niet van invloed zijn op het horen van moppen. Thuistaal of etniciteit blijkt wel een factor van belang te zijn: Turkse leerlingen zeggen minder moppen te horen, en Marokkaanse leerlingen juist meer dan gemiddeld. Voor het vertellen van moppen bleek een viertal factoren duidelijk bepalend te zijn: geslacht, leeftijd, religie en thuistaal (etniciteit). Moppenvertellers vinden we wat vaker onder de jongere jongens, en iets vaker onder de Marokkanen.

Daarmee gaan we over naar de derde en laatste verhaal-vraag uit de enquête:

Verhaalthema’s

Voor de keuze voor verhaalthema’s heb ik een greep gedaan uit het reservoir aan mogelijkheden op het gebied van traditionele en moderne sagen (wat overigens niet wegneemt dat sommige thema’s ook in traditionele sprookjes kunnen voorkomen). Sagen zijn relatief korte, spannende verhalen over vaak bovennatuurlijke en/of onverklaarbare gebeurtenissen, die in tijd en plaats gefixeerd worden, en die niet zelden als waargebeurd werden of worden doorverteld. De vraag in de enquête luidde aldus:

3. Heb je weleens verhalen gehoord over...

a. hekserij

Ja

Nee

b. spokerij

Ja

Nee

c. geesten

Ja

Nee

d. klopgeesten

Ja

Nee

e. toverij

Ja

Nee

f. vervloeking

Ja

Nee

g. het boze oog

Ja

Nee

h. vliegende schotels

Ja

Nee

i. genezers

Ja

Nee

De vliegende schotels vormen hier duidelijk het meer moderne verhaalthema, alhoewel de oudste als waar vertelde verhalen al weer uit het einde van de 19e eeuw stammen. De verhalen over UFO’s circuleren thans nog levendig; denk daarbij ook aan verhalen over landingen, ontvoeringen, medische experimenten, abortussen en het ontstaan van graancirkels.

Traditioneler, althans in de Nederlandse cultuur, zijn de verhalen over hekserij, spokerij en toverij. Verder is bekend dat verhalen over geesten ook in de islamitische cultuur nog volop de ronde doen. Men kan daarbij bijvoorbeeld denken aan de Marokkaanse verhalen over djinns en djinnis. Het thema van het Boze Oog is in de Nederlandse cultuur niet geheel onbekend, maar bloeit - naar mijn indruk - toch vooral in de islamitische vertelcultuur.

Wederom is nu de meest voor de hand liggende vraag: hoe scoort de school als geheel op deze verhaalthema’s? Mijn voorspelling luidde dat de verhalen over geesten zowel bij autochtone als allochtone leerlingen het hoogst zouden scoren, en dat verhalen over genezers het minst bekend zouden zijn. Het eerste deel van mijn voorspelling is uitgekomen: inderdaad scoren verhalen over geesten qua bekendheid het hoogst (88,6%). Het zijn daarentegen de verhalen over het boze oog, die het laagst blijken te scoren (40,9%). Verhalen over genezers blijken toch nog behoorlijk bekend te zijn. Veel allochtone leerlingen zullen de vraag geassocieerd hebben met de traditionele islamitische gebedsgenezers die in hun cultuur overbekend zijn, maar blijkbaar hebben ook nogal wat autochtone leerlingen (terecht) moeten denken aan genezers van het type Jomanda. De navolgende tabel geeft de rangorde in bekendheid met de verhaalthema’s op het De Bruijne Lyceum weer.

Bekendheid van scholieren met verhalen over...

geesten

88,6%

hekserij

86,5%

spokerij

85,1%

toverij

81,1%

vervloeking

75,1%

vliegende schotels

73,9%

genezers

67,4%

klopgeesten

63,3%

het boze oog

40,9%

Het zou te ver voeren om hier alle verhaalthema’s te gaan behandelen in relatie tot geslacht, leeftijd, opleiding, thuistaal en religie. Ik kies - verhoudingsgewijs - het bekendste thema van de ‘geesten’, het middelmatig bekende thema van de vliegende schotels, en het minst bekende thema van het boze oog.

Als we de blancostemmers even buiten beschouwing laten, dan geeft slechts een luttele 7,4% van de leerlingen op school aan geen verhalen over geesten te kennen. Bijna iedereen kent dus wel verhalen over geesten, en daarbij scoren de jongens iets lager (85,3%) dan de meisjes (92,2%). Leeftijd speelt een zekere rol, en geeft de statistiek kleine kennispieken te zien rond het 14e en het 17e-18e jaar. Schooltype mavo, havo of vwo maakt niets uit; alleen de brugklas blijft zoals vaker wat in kennis achter, maar dat zal wel weer een kwestie van leeftijd zijn.

Op het gebied van de etniciteit schommelt de kennis van verhalen over geesten bij Nederlanders, Marokkanen en Turken rond het schoolgemiddelde. Alleen de Surinamers scoren duidelijk hoger dan het gemiddelde met 95,7%. En hetzelfde patroon doet zich voor op het gebied van het geloof: de christenen, islamieten en atheïsten scoren ongeveer gemiddeld, terwijl de hindoes hier voor de volle 100% scoren. Nu is de hindoe-groep weliswaar van Surinaamse komaf, maar niet alle Surinamers zijn hindoe. De Surinamers vormen een gemêleerde geloofsgroep: er bevinden zich ook islamieten en christenen onder, en er zijn ook Hindoestanen die geen hindoe maar moslim zijn. Overigens zien we onder de christenen ook weer duidelijk verschillen: katholieken zijn beter bekend met verhalen over geesten (97,8%) dan protestanten (79,8%).

Om kort te gaan over de kennis van verhalen over geesten: wat er het duidelijkst niet toe doet, is de hoogte van de opleiding. Geslacht speelt ook nauwelijks een rol: het ziet ernaar uit dat meisjes net wat meer verhalen kennen dan jongens. Er is een zekere relatie tussen leeftijd en verhaalkennis. Of je nu Turk, Marokkaan of Nederlander bent, en of je nu moslim, atheïst of christen bent - dat maakt allemaal niet bijster veel uit. Elke cultuur voorziet in geestenverhalen, en de verdeling blijkt gelijkmatiger dan ik zelf voorspeld had. Dat thuistaal en religie er anderzijds toch toe doen, komt omdat hier de Surinamers en hindoes bovengemiddeld scoren. Het ziet er naar uit dat in de hindoe-cultuur (met oorspronkelijk India als bakermat) de geestenverhalen er werkelijk met de paplepel worden ingegoten. Het ideale profiel van een kenner van geestenverhalen op school zou derhalve moeten luiden: Surinaams-hindoestaans meisje van 14 of 17-18 jaar.

Bij verhalen over vliegende schotels blijkt de opleiding nu eens wel van belang. De statistiek laat een stijgende lijn zien: hoe hoger de opleiding, des te groter de kans om bij leerlingen verhalen over ufo’s aan te treffen.

Kennis van verhalen over vliegende schotels

brugklas 60,8%

mavo 70,8%

havo 74,7%

vwo 86,1%

Dat er een samenhang zou bestaan tussen een hogere opleiding en een belangstelling voor ingewikkelde (ruimte-)technologie, is waarschijnlijk wat te gemakkelijk geredeneerd. Dan zou men immers ook een verschil tussen jongens en meisjes verwachten, en die is er - geheel tegen mijn voorspelling in - absoluut niet. Van de jongens zegt 74,3% verhalen over ufo’s te kennen, van de meisjes 74%. De belangstelling van hoger opgeleide meisjes en jongens in dit soort verhalen schuilt misschien meer in het genre: we bevinden ons hier meer in de sfeer van de science fiction, de fantasy en de urban legend (of: moderne stadssage). Met name dit laatste genre wordt vooral in trek geacht te zijn bij hoger opgeleide (stads)jongeren.

Blijkbaar neemt de kennis van ufo-verhalen ook toe naarmate de leerlingen ouder worden: tussen de 12 en de 18 jaar zien we de percentages stijgen van 63% naar 84,6%. Dit beeld is wel enigszins vertekend, want de 18-jarigen zijn natuurlijk goeddeels de vwo-ers die al belangstelling hadden voor zulk soort verhalen.

De thuistaal (etniciteit) van de leerlingen doet er ook toe: de autochtone leerlingen springen in verhaalkennis met 80,5% duidelijk boven de allochtone leerlingen uit (59,7%). Diezelfde distributie keert terug als we de christenen met de moslims vergelijken: 80,8% van de christenen zegt verhalen over ufo’s te kennen, tegenover slechts 54,7% van de islamitische leerlingen. Ditmaal blijken het echter opvallend genoeg de atheïsten te zijn die het meest verhalen kennen over vliegende schotels: 'ja' zegt 83,2% van de niet-gelovigen! Men zou haast willen vaststellen dat waar een god uit iemands verwachtingshorizon verdwijnt, er buitenaards leven voor terugkeert. Vanuit de antropologie is er al eerder op gewezen dat de mensheid door de eeuwen heen geneigd is om naar de hemel te kijken als men (on)heil verwacht. Buitenaards intelligent en technologisch hoog ontwikkeld leven wordt wel als substituut gezien voor diegenen die geen heil meer verwachten van een god, engelen of heiligen.

De beste kenners van ufo-verhalen moeten we dus vooral zoeken onder de autochtone, atheïstische, wat oudere en hoger opgeleide leerlingen (m/v).

Verhoudingsgewijs het minst bekend op school is het verhaalthema van het boze oog. Mijn voorspelling dat het meer leeft in de allochtone culturen dan in de Nederlandse, komt zonder meer uit. Meer dan de helft van de Nederlandse leerlingen (53,2%) heeft nog nooit van het boze oog gehoord. Overigens kent een respectabel aantal van 38,7% van de Nederlanders wèl het boze oog. Allochtone leerlingen scoren echter bovengemiddeld op de kennis van het boze oog; 'ja' zegt 56,5% van de Surinamers, 51,1% van de Marokkanen en 42,5% van de Turken. Bij latere interviews bleek dat Turken soms niet hadden begrepen wat ik met het boze oog bedoelde. Als ik naar ‘nazarboncugu’ had gevraagd, dan hadden ze dat beter begrepen.

Dat de kennis van het boze oog zeker ook samenhangt met de religieuze achtergrond, lag geheel in de lijn der verwachting. De islamieten zijn bovengemiddeld (46,3%) op de hoogte van het boze oog; datzelfde geldt opmerkelijk genoeg ook voor de atheïsten (44,6%): het lijkt wel alsof niet-gelovigen op dit punt ontvankelijker zijn dan anders-gelovigen. Hindoes en christenen weten het minst van het boze oog (resp. 37,5 en 35,4%). Onder de christenen blijken de katholieken weer aanmerkelijk beter op de hoogte te zijn dan de protestanten (43,5% tegen 27,4%).

Op het gebied van het schooltype had het me niet verbaasd als de kennis van het boze oog het hoogst was geweest op de mavo. In de praktijk blijken de percentages voor mavo, havo en vwo elkaar nauwelijks te ontlopen. Uiteindelijk scoren de vwo-ers nog net het hoogst: 'ja', zegt daar 46,5%. Eigenlijk valt percentueel vooral op dat in de brugklas de kennis van het boze oog relatief gering is: 'ja' antwoordde daar 31,7%.

Als je per klas gaat kijken, kom je voor de kennis van het boze oog soms heel lage en hoge uitschieters tegen (van ‘ja’ 13,6% tot 64%; zulke enorme fluctuaties komen bij de geesten- en ufo-verhalen niet voor). Dit valt voor een deel te verklaren uit de wisselende etnische samenstelling van de klas, maar niet in alle gevallen. Ook in sommige klassen met veel Nederlandse leerlingen komen we toch kennis van het boze oog tegen.

Dat in de brugklas de kennis van het boze oog relatief gering is, hangt weer samen met de notie van de leeftijd. Tussen het 12e en 16e jaar zien we de kenniscurve stijgen van 31,1% naar 50,6% (om daarna tot en met het 18e jaar overigens weer langzaam iets te zakken). Het lijkt er hierdoor op alsof de fascinatie voor ‘occulte’ verhalen zijn hoogtepunt bereikt rond het 16e jaar. Mijn voorspelling dat leeftijd er niets toe doet, kwam daarmee dus niet uit. Wat er - zoals voorspeld - inderdaad niets toe doet, is het geslacht: jongens en meisjes scoren even hoog op hun kennis van verhalen over het boze oog (beiden rond de 40%).

Terwijl een culturele categorie als religie er niets toe doet bij het horen van moppen, speelt de geloofsachtergrond juist wel een belangrijke rol bij de kennis van bepaalde verhaalthema’s. Verhalen over het boze oog horen bovenal thuis in de islamitische cultuur. Bij de vraag naar de moppen speelde de inhoud ervan geen rol, bij de verhaalthema’s draait alles precies om de inhoud - juist op het inhoudelijke niveau begint zo’n culturele (kern)waarde als religie dan zijn stempel te drukken op het verhaalrepertoire. Thuistaal speelt ook een rol, en leeftijd tot op zekere hoogte eveneens. Geslacht en schooltype doen er niet toe. Kort gezegd treffen we op school de meeste verhaalkennis over het boze oog aan bij islamitische leerlingen (m/v) van rond de 16 jaar.

 

Conclusies

Op het gebied van het horen van moppen hebben we op school maar één duidelijk onderscheidende factor aangetroffen. Iedere leerling hoort met zekere regelmaat moppen vertellen, ongeacht geslacht, opleiding, leeftijd of religie. Alleen de etniciteit of thuistaal blijkt van zeker belang: Nederlanders en Surinamers horen een gemiddelde hoeveelheid moppen, Turken horen er minder, en Marokkanen horen er - naar eigen zeggen - wat meer. Verder hebben we kunnen vaststellen dat veel leerlingen af en toe moppen vertellen. Opleiding en religie blijken daarbij van geen belang, maar geslacht, leeftijd en etniciteit wel: jongens vertellen wat vaker moppen dan meisjes, jongere leerlingen (12-14 jaar) vertellen wat vaker moppen dan oudere leerlingen (15-18 jaar) en moppentappers treft men volgens opgave wat meer aan bij Marokkanen.

Relevante factoren bij...

 

Moppen horen

Moppen vertellen

Verhalen over geesten

Verhalen over ufo's

Verhalen over het boze oog

Leeftijd

nee

ja

ja?

ja

ja

Geslacht

nee

ja

nee

nee

nee

Schooltype

nee

nee

nee

ja

nee

Religie

nee

ja?

ja

ja

ja

Thuistaal

ja

ja?

ja

ja

ja

De statistiek heeft laten zien dat steeds andere factoren een rol spelen bij de kennis van bepaalde verhaalthema’s. Zo is een islamitische achtergrond bevorderlijk voor verhaalkennis over het boze oog, en een kennelijke fascinatie voor ufo-verhalen treffen we aan onder de niet-gelovige, hoger opgeleide autochtonen. Verhalen over geesten vinden we bij iedere religieuze gezindte aan, maar wel in het bijzonder bij de hindoestanen. De schijnbare grilligheid waarmee de factoren optreden, toont hoe ingewikkeld het mechanisme van de dagelijkse vertelcultuur in elkaar kan steken, maar biedt anderzijds zicht op enkele patronen en ontwikkelingen. Geslachtsverschillen blijken in veel gevallen niet doorslaggevend te zijn - de doorbreking van de traditionele rollenpatronen lijkt zich onder jongeren algemeen voort te zetten. Passieve verhaalkennis vinden we bij meisjes en jongens evenveel, maar moppen vertellen doen jongens nog traditioneel meer. Als het kennis van de inhoud van bepaalde verhalen betreft, dan blijken etnische en religieuze (cultuur-)verschillen regelmatig doorslaggevende factoren te zijn. Maar daar waren de verhaalthema’s natuurlijk ook wel een beetje op uitgekozen.

Literatuur

Enkele publicaties over Lombok en de mondelinge traditie aldaar:

  • T. Meder & H. Dibbits: 'Kasbah in de Kanaalstraat. Beeldvorming in en rond een multi-etnische stadswijk: een verkenning', in: Volkskundig Bulletin 25 (1999) 1, p.39-70.
  • M. van Dijk: 'Berend Botje in Lombok. Traditionele Nederlandse liedjes en versjes als bron van inspiratie voor kinderen van allochtone afkomst', in: J. Helsloot, T. Meder en C. Wijers (red.): De discipline van het dagelijks leven. Bijdragen voor Ton Dekker over orale cultuur, feestcultuur en de historiografie van de volkskunde. Nijmegen 1999, p. 315-339.
  • T. Meder: ‘De Turkendisco, de Spiegelheks en Vrouw Holle. Grappige en griezelige verhalen van leerlingen’, in: Brown Magazine (schooljaar 1999-2000) nr.3, p.13-16.
  • J. Aarssen, en W. Jongenburger: Talen en culturen in het Utrechtse Lombok en Transvaal. Een survey-studie. Amsterdam 2000.
  • H. Dibbits: '"In Turkije gaat het tegenwoordig net zo." De culturele repertoires van een Turks gezin in een multi-etnische wijk', in: Amsterdams Sociologisch Tijdschrift 27 (2000) 3, p. 314-344.
  • T. Meder & M. van Dijk: Doe open Zimzim. Verhalen en liedjes uit de Utrechtse wijk Lombok. Amsterdam 2000.
  • L. Boumans, H. Dibbits en M. Dorleijn: Jongens uit de buurt. Een ontmoeting met Güray, Naraen, Hasan, Youssef, Mustafa, Azzadine, Badir en Rachid. Amsterdam 2001.
  • T. Meder (red.): "Er waren een Marokkaan, een Turk en een Nederlander ...." Volkskundige en taalkundige opstellen over het vertellen van moppen in de multiculturele wijk Lombok. Amsterdam 2001.
  • H. Bennis, G. Extra, P. Muysken en J. Nortier (red.): Een buurt in beweging. Talen en culturen in het Utrechtse Lombok en Transvaal. Amsterdam 2002.