|
Moppen
en het boze oog

Enkele
aspecten van mondelinge vertelcultuur op een multi-etnische
middelbare school in de Utrechtse
wijk Lombok en daarbuiten
Theo Meder
Inleiding
Eind 1999
hielden de onderzoekers van het TCULT-project (Talen en Culturen
in het Utrechtse Lombok en Transvaal) een enquête op het De
Bruijne Lyceum even buiten de multiculturele wijk Lombok in de
stad Utrecht. In deze enquête heb ik vragen gesteld naar het
vertellen en beluisteren van moppen en naar de bekendheid met
bepaalde verhaalthema’s. Het zijn vragen die voortkomen uit
het wetenschappelijk onderzoek naar volksverhalen en dagelijkse
vertelcultuur. Uit de beperkte hoeveelheid vragen die ik gesteld
heb, valt natuurlijk nauwelijks een echt beeld te reconstrueren
van de schoolse en buitenschoolse vertelcultuur - daarvoor
blijven er teveel onderwerpen liggen. Ik heb slechts een aantal
vragen gesteld die mijn nieuwsgierigheid prikkelden. Verder
hoopte ik met de antwoorden een hoeveelheid echte
‘vertellers’ op het spoor te komen, die zouden willen
meedoen aan een vervolg-onderzoek. Dat vervolg bestond
voornamelijk uit interviews, waarin de leerlingen zelf zoveel
mogelijk aan het woord zijn gelaten en verhalen mochten
vertellen.
Over dit
vervolg-onderzoek wordt elders gerapporteerd (zie de literatuur
aan het slot). Hier ga ik in op de resultaten van de enquête en
op de correlaties waarop ik gestuit ben. Ik zal telkens
bespreken welke uitkomst ik verwacht had, en wat de werkelijke
uitkomst was, en ik zal eventuele verschillen tussen verwachting
en uitkomst trachten te verklaren.
Moppen
Over het
vertellen en horen van moppen zijn de volgende twee vragen
gesteld in de enquête:
|
1.
Vertel je wel eens moppen?
|
|
nooit
|
soms
|
regelmatig
|
vaak
|
elke
dag
|
|
2. Hoor
je wel eens moppen vertellen?
|
|
nooit
|
soms
|
regelmatig
|
vaak
|
elke
dag
|
De meest voor
de hand liggende vraag is hier hoe de school (brugklas, mavo,
havo, vwo) als geheel gescoord heeft. Op het punt van het
vertellen van moppen had ik verwacht dat het merendeel voor
‘regelmatig’ zou kiezen. Wat betreft het horen van moppen
had ik van een meerderheid het antwoord ‘vaak’ verwacht. In
beide gevallen blijken mijn verwachtingen iets te hooggestemd te
zijn geweest. Over de hele school genomen hebben de leerlingen
wat gematigder geantwoord - ik heb de ‘mopcultuur’ op school
enigszins overschat. Bijna de helft van de leerlingen (49,7%)
vertelt ‘soms’ een mop. En het hoogste percentage leerlingen
(30,9%) hoort ‘regelmatig’ een mop.
|
|
Vertel
je wel eens moppen?
|
Hoor
je wel eens moppen vertellen?
|
|
nooit
|
2,0%
|
0,4%
|
|
soms
|
49,7%
|
27,2%
|
|
regelmatig
|
23,0%
|
30,9%
|
|
vaak
|
14,3%
|
26,0%
|
|
elke
dag
|
9,2%
|
12,9%
|
|
blanco
|
1,8%
|
2,7%
|
|
totaal
|
100,0%
|
100,0%
|
Mijn
veronderstelling dat jongens wat vaker moppen vertellen dan
meisjes, werd statistisch bevestigd. Terwijl ruim de helft van
de meisjes (59,8%) aangeeft ‘soms’ een mop te vertellen
(jongens 39,6%), scoren de jongens vooral bovengemiddeld in de
categorieën ‘vaak’ en ‘elke dag’ (resp. 17,1% en 15%;
niet in tabel). Als het gaat om het luisteren naar moppen, dan
zijn de verschillen tussen jongens en meisjes aanzienlijk
geringer. De conclusie mag luiden dat jongens wat vaker als
moppentappers optreden dan meisjes - een gegeven dat ook al
eerder in de literatuur is vastgesteld en dat deels samenhangt
met het rollenpatroon van mannelijk verbaal bravoure. Maar zowel
jongens als meisjes krijgen alles bij elkaar ongeveer evenveel
moppen te horen. Meisjes krijgen derhalve evenveel moppen
aangeboden, maar gaan er wat passiever mee om. Van meisjes hoor
je ook vaak de reactie: "Ik vind moppen wel leuk, maar ik
kan ze niet onthouden" en daardoor ook niet doorvertellen.
Er blijkt ook
een relatie te bestaan tussen de leeftijd van leerlingen en het
vertellen van moppen. Tussen de 12 en de 18 jaar zien we de
categorieën ‘elke dag’, ‘vaak’ en ‘regelmatig’
percentueel teruglopen, terwijl de categorie ‘soms’ steeds
groter wordt. Zegt 25,2% van de 12-jarigen nog ‘vaak’ een
mop te vertellen, bij de 18-jarigen is daar niets van
overgebleven (0%). En terwijl 40,7% van de 12-jarigen zegt
‘soms’ een mop te vertellen, loopt dit op tot 76,9% onder de
18-jarigen. Kennelijk worden leerlingen metterjaren wat
serieuzer en grijpen ze voor humor in de communicatie misschien
minder vaak terug op geprefabriceerde grappen, maar vertrouwen
meer op hun eigen humoristische creativiteit.
Het beeld voor
het horen van moppen in relatie tot de leeftijd van de
leerlingen is veel gelijkmatiger, stabieler en vergelijkbaar met
het schoolgemiddelde (zie boven). Eigenlijk schommelen de
getallen steeds rond de 30% voor wat betreft het ‘soms’,
‘regelmatig’ of ‘vaak’ horen van moppen, onafhankelijk
van de leeftijd van de leerling. De enige opmerkelijke
uitschieter is de 46,2% van de 18-jarigen die zeggen
‘regelmatig’ een mop te horen (dit gaat dan vooral ten koste
van de categorie ‘vaak’). Mijn verwachtingen komen maar ten
dele uit. De verwachting dat het moppen vertellen onder jongere
leerlingen meer bedreven werd dan onder oudere, klopte. De
gedachte dat jongere leerlingen ook vaker moppen zouden horen,
werd niet bewaarheid. Naarmate de leeftijd vordert neemt de
hoeveelheid moppentappers af, maar dit gaat niet ten koste van
de regelmaat waarmee leerlingen moppen te horen krijgen. Dat zou
kunnen betekenen dat leerlingen op latere leeftijd een bredere
kring van vrienden en kennissen verwerven, en dat men in diverse
kringen altijd wel weer een moppenverteller aantreft.
Ik meende ook
te mogen aannemen dat er in de lagere opleidingen vaker moppen
werden verteld dan in de hogere opleidingen. Maar als je de
mavo, de havo en het vwo met elkaar vergelijkt, dan ontlopen de
percentages elkaar nauwelijks. In alledrie de schooltypen zegt
circa 50% ‘soms’ moppen te vertellen, zo’n 20% vertelt ze
‘regelmatig’ en zo’n 10% vertelt ze ‘vaak’. De
grootste verschillen treden op als we de drie schooltypen
afzetten tegen de brugklassen, waarin 39,2% ‘soms’ moppen
vertelt (beneden het gemiddelde), en 24,6% ‘vaak’ (boven het
gemiddelde). De opleiding levert hier dus geen effect op, maar
(waarschijnlijk) wel de leeftijd - zoals we hierboven ook al
zagen.
Bij het horen
van moppen per schooltype is het beeld nog stabieler: elk
schooltype sluit tamelijk nauw aan bij het schoolgemiddelde
zoals in bovenstaande tabel weergegeven. Ook de brugklas voegt
zich ditmaal heel behoorlijk naar het algemene patroon. Nogmaals
kwam mijn aanname niet uit dat er meer moppen werden gehoord in
de lagere opleidingen. De suggestie dat er een samenhang is
tussen (een lagere) opleiding en appreciatie van de mop (en
daarmee de bereidheid om er een te vertellen of aan te horen),
is afkomstig uit de literatuur, maar de informanten zijn dan
doorgaans al van school af. Het is best mogelijk dat de
distinctie pas later optreedt, en dat de opleiding op jongere
leeftijd wegvalt tegen een factor als (school-)jongerencultuur,
waarbinnen een mop doorgaans binnen alle geledingen nog wel op
een gewillig oor kan rekenen.
Een
intrigerende vraag is of wellicht de religieuze achtergrond van
de leerlingen van invloed is op het horen of vertellen van
moppen. Mijn voorspelling luidde dat het geloof geen rol speelt
in deze kwestie, en deze voorspelling komt ook uit. Als we de
vier grootste ‘geloofsgroepen’ op school bezien, te weten
protestanten, katholieken, moslims en atheïsten, dan blijkt bij
het horen van moppen dat de percentages wederom keurig blijven
schommelen rond het schoolgemiddelde. Voor het vertellen van
moppen geldt precies hetzelfde: protestanten, katholieken,
moslims en atheïsten vertellen er allemaal ongeveer evenveel.
De enige curieuze statistische uitschieter vinden we onder de
hindoestanen. Zij lijken terughoudender in het vertellen van
moppen: niet minder dan 75% zegt slechts ‘soms’ een mop te
vertellen. Men zou kunnen veronderstellen dat hindoestanen
vanuit hun culturele achtergrond minder geneigd zijn om zich in
het middelpunt van de belangstelling te plaatsen, en daardoor
minder snel moppen vertellen. Overigens zeggen deze bevindingen
over (het gebrek aan) samenhang tussen religie en moppen
vertellen of horen natuurlijk niets over de aard van de moppen.
Het is beslist aannemelijk dat de verschillende religieuze
groepen uiteenlopende voorkeuren voor bepaalde moppen-genres aan
de dag leggen. Hieromtrent kan de enquête echter geen
uitsluitsel geven.
Tot slot kijken
we nog naar de thuistaal van de leerlingen. In de opvattingen
van TCULT geeft de thuistaal een goede indicatie van de
identiteit of de etniciteit van de leerlingen. Wie thuis primair
Turks spreekt, zal zichzelf ook in de eerste plaats tot de
etnische groep van de Turken rekenen. Wie thuis eerst Marokkaans
Arabisch of Berbers heeft leren spreken, voelt zich bovenal
Marokkaan. Mijn voorspelling luidde dat noch bij het moppen
horen, noch bij het moppen vertellen de etniciteit (evenmin als
de religie) een doorslaggevende factor zou zijn. Dat blijkt niet
helemaal te kloppen. Terwijl de Nederlanders en de Surinamers
zich redelijk naar het schoolgemiddelde lijken te voegen, wijken
de Marokkanen en de Turken af, ook onderling. Blijkens een
relatieve uitschieter van 33% geven de Marokkanen te kennen
‘vaak’ moppen te horen. Bij de Turken vinden we juist een
flinke uitschieter van 41,3% van de leerlingen die slechts
‘soms’ een mop horen. De enquête wijst uit dat Nederlanders
en Surinamers een gemiddelde hoeveelheid moppen te horen
krijgen. Vergelijkenderwijs horen de Turken er minder dan het
gemiddelde, en de Marokkanen juist meer dan het gemiddelde.
De genoemde
verschillen laten zich buitengewoon lastig verklaren. Het lijkt
uitgesloten dat de ene cultuur meer gevoel voor humor zou hebben
dan de andere. Wel zou men de sociaal-maatschappelijke positie
als factor kunnen aanvoeren: humor wordt niet zelden ingezet als
een defensie-mechanisme en kan fungeren als een uitlaatklep voor
onlustgevoelens en onvrede. Vanuit deze redenering zou de Turkse
groep aangewezen kunnen worden als de sociaal-maatschappelijk
meest ‘stabiele’ en de Marokkanen als de meest ‘labiele’
groep. De Nederlanders en de Surinamers nemen dan een gemiddelde
tussenpositie in. Dit beeld sluit wel enigszins aan bij ander
onderzoek, waarin de Turkse gemeenschap naar voren komt als
hechte, sociaal georganiseerde groep met een sterk ontwikkelde
culturele identiteit en Turks-nationale trots. Dergelijke sterke
gevoelens van identiteit en eigenwaarde worden onder Marokkanen,
met name Berbers, minder aangetroffen en lijken ook nauwelijks
gevoed te worden vanuit het moederland. De sociale cohesie is
doorgaans geringer. Mogelijk speelt de schoolsituatie bij de
Marokkaanse leerlingen ook een rol. Niet zelden hebben
Marokkaanse ouders (te) hooggespannen verwachtingen van school
en hun schoolgaande kinderen - verwachtingen waaraan de
leerlingen lang niet altijd kunnen voldoen. Vanuit die minder
stabiele positie lijken de Marokkanse leerlingen meer behoefte
aan humor te hebben: immers, hoe meer druk op de ketel, des te
meer behoefte om de spanning te ontladen.
Overigens zet
de trent zich ten dele voort bij het vertellen van moppen, maar
nu scoren zowel de Nederlanders en de Surinamers als de Turken
ongeveer gemiddeld. Alleen de Marokkanen geven weer aan vaker
moppen te vertellen, met een uitschieter van 18,1% van de
Marokkaanse leerlingen dat zegt ‘elke dag’ moppen te
vertellen.
Hierboven is -
kort samengevat - gebleken dat de factoren geslacht, leeftijd,
opleiding en religie niet van invloed zijn op het horen van
moppen. Thuistaal of etniciteit blijkt wel een factor van belang
te zijn: Turkse leerlingen zeggen minder moppen te horen, en
Marokkaanse leerlingen juist meer dan gemiddeld. Voor het
vertellen van moppen bleek een viertal factoren duidelijk
bepalend te zijn: geslacht, leeftijd, religie en thuistaal
(etniciteit). Moppenvertellers vinden we wat vaker onder de
jongere jongens, en iets vaker onder de Marokkanen.
Daarmee gaan we
over naar de derde en laatste verhaal-vraag uit de enquête:
Verhaalthema’s
Voor de keuze
voor verhaalthema’s heb ik een greep gedaan uit het reservoir
aan mogelijkheden op het gebied van traditionele en moderne
sagen (wat overigens niet wegneemt dat sommige thema’s ook in
traditionele sprookjes kunnen voorkomen). Sagen zijn relatief
korte, spannende verhalen over vaak bovennatuurlijke en/of
onverklaarbare gebeurtenissen, die in tijd en plaats gefixeerd
worden, en die niet zelden als waargebeurd werden of worden
doorverteld. De vraag in de enquête luidde aldus:
|
3. Heb
je weleens verhalen gehoord over...
|
|
a.
hekserij
|
Ja
|
Nee
|
|
b.
spokerij
|
Ja
|
Nee
|
|
c.
geesten
|
Ja
|
Nee
|
|
d.
klopgeesten
|
Ja
|
Nee
|
|
e.
toverij
|
Ja
|
Nee
|
|
f.
vervloeking
|
Ja
|
Nee
|
|
g.
het boze oog
|
Ja
|
Nee
|
|
h.
vliegende schotels
|
Ja
|
Nee
|
|
i.
genezers
|
Ja
|
Nee
|
De vliegende
schotels vormen hier duidelijk het meer moderne verhaalthema,
alhoewel de oudste als waar vertelde verhalen al weer uit het
einde van de 19e eeuw stammen. De verhalen over UFO’s
circuleren thans nog levendig; denk daarbij ook aan verhalen
over landingen, ontvoeringen, medische experimenten, abortussen
en het ontstaan van graancirkels.
Traditioneler,
althans in de Nederlandse cultuur, zijn de verhalen over
hekserij, spokerij en toverij. Verder is bekend dat verhalen
over geesten ook in de islamitische cultuur nog volop de ronde
doen. Men kan daarbij bijvoorbeeld denken aan de Marokkaanse
verhalen over djinns en djinnis. Het thema van het
Boze Oog is in de Nederlandse cultuur niet geheel onbekend, maar
bloeit - naar mijn indruk - toch vooral in de islamitische
vertelcultuur.
Wederom is nu
de meest voor de hand liggende vraag: hoe scoort de school als
geheel op deze verhaalthema’s? Mijn voorspelling luidde dat de
verhalen over geesten zowel bij autochtone als allochtone
leerlingen het hoogst zouden scoren, en dat verhalen over
genezers het minst bekend zouden zijn. Het eerste deel van mijn
voorspelling is uitgekomen: inderdaad scoren verhalen over
geesten qua bekendheid het hoogst (88,6%). Het zijn daarentegen
de verhalen over het boze oog, die het laagst blijken te scoren
(40,9%). Verhalen over genezers blijken toch nog behoorlijk
bekend te zijn. Veel allochtone leerlingen zullen de vraag
geassocieerd hebben met de traditionele islamitische
gebedsgenezers die in hun cultuur overbekend zijn, maar
blijkbaar hebben ook nogal wat autochtone leerlingen (terecht)
moeten denken aan genezers van het type Jomanda. De navolgende
tabel geeft de rangorde in bekendheid met de verhaalthema’s op
het De Bruijne Lyceum weer.
|
Bekendheid
van scholieren met verhalen over...
|
|
geesten
|
88,6%
|
|
hekserij
|
86,5%
|
|
spokerij
|
85,1%
|
|
toverij
|
81,1%
|
|
vervloeking
|
75,1%
|
|
vliegende
schotels
|
73,9%
|
|
genezers
|
67,4%
|
|
klopgeesten
|
63,3%
|
|
het
boze oog
|
40,9%
|
Het zou te ver
voeren om hier alle verhaalthema’s te gaan behandelen in
relatie tot geslacht, leeftijd, opleiding, thuistaal en religie.
Ik kies - verhoudingsgewijs - het bekendste thema van de
‘geesten’, het middelmatig bekende thema van de vliegende
schotels, en het minst bekende thema van het boze oog.
Als we de
blancostemmers even buiten beschouwing laten, dan geeft slechts
een luttele 7,4% van de leerlingen op school aan geen verhalen
over geesten te kennen. Bijna iedereen kent dus wel verhalen
over geesten, en daarbij scoren de jongens iets lager (85,3%)
dan de meisjes (92,2%). Leeftijd speelt een zekere rol, en geeft
de statistiek kleine kennispieken te zien rond het 14e en het
17e-18e jaar. Schooltype mavo, havo of vwo maakt niets uit;
alleen de brugklas blijft zoals vaker wat in kennis achter, maar
dat zal wel weer een kwestie van leeftijd zijn.
Op het gebied
van de etniciteit schommelt de kennis van verhalen over geesten
bij Nederlanders, Marokkanen en Turken rond het
schoolgemiddelde. Alleen de Surinamers scoren duidelijk hoger
dan het gemiddelde met 95,7%. En hetzelfde patroon doet zich
voor op het gebied van het geloof: de christenen, islamieten en
atheïsten scoren ongeveer gemiddeld, terwijl de hindoes hier
voor de volle 100% scoren. Nu is de hindoe-groep weliswaar van
Surinaamse komaf, maar niet alle Surinamers zijn hindoe. De
Surinamers vormen een gemêleerde geloofsgroep: er bevinden zich
ook islamieten en christenen onder, en er zijn ook Hindoestanen
die geen hindoe maar moslim zijn. Overigens zien we onder de
christenen ook weer duidelijk verschillen: katholieken zijn
beter bekend met verhalen over geesten (97,8%) dan protestanten
(79,8%).
Om kort te gaan
over de kennis van verhalen over geesten: wat er het duidelijkst
niet toe doet, is de hoogte van de opleiding. Geslacht speelt
ook nauwelijks een rol: het ziet ernaar uit dat meisjes net wat
meer verhalen kennen dan jongens. Er is een zekere relatie
tussen leeftijd en verhaalkennis. Of je nu Turk, Marokkaan of
Nederlander bent, en of je nu moslim, atheïst of christen bent
- dat maakt allemaal niet bijster veel uit. Elke cultuur
voorziet in geestenverhalen, en de verdeling blijkt
gelijkmatiger dan ik zelf voorspeld had. Dat thuistaal en
religie er anderzijds toch toe doen, komt omdat hier de
Surinamers en hindoes bovengemiddeld scoren. Het ziet er naar
uit dat in de hindoe-cultuur (met oorspronkelijk India als
bakermat) de geestenverhalen er werkelijk met de paplepel worden
ingegoten. Het ideale profiel van een
kenner van geestenverhalen op school zou derhalve moeten luiden:
Surinaams-hindoestaans meisje van 14 of 17-18 jaar.
Bij verhalen
over vliegende schotels blijkt de opleiding nu eens wel van
belang. De statistiek laat een stijgende lijn zien: hoe hoger de
opleiding, des te groter de kans om bij leerlingen verhalen over
ufo’s aan te treffen.
|
Kennis
van verhalen over vliegende schotels
|
|
brugklas
60,8%
|
mavo
70,8%
|
havo
74,7%
|
vwo
86,1%
|
Dat er een
samenhang zou bestaan tussen een hogere opleiding en een
belangstelling voor ingewikkelde (ruimte-)technologie, is
waarschijnlijk wat te gemakkelijk geredeneerd. Dan zou men
immers ook een verschil tussen jongens en meisjes verwachten, en
die is er - geheel tegen mijn voorspelling in - absoluut niet.
Van de jongens zegt 74,3% verhalen over ufo’s te kennen, van
de meisjes 74%. De belangstelling van hoger opgeleide meisjes en
jongens in dit soort verhalen schuilt misschien meer in het
genre: we bevinden ons hier meer in de sfeer van de science
fiction, de fantasy en de urban legend (of:
moderne stadssage). Met name dit laatste genre wordt vooral in
trek geacht te zijn bij hoger opgeleide (stads)jongeren.
Blijkbaar neemt
de kennis van ufo-verhalen ook toe naarmate de leerlingen ouder
worden: tussen de 12 en de 18 jaar zien we de percentages
stijgen van 63% naar 84,6%. Dit beeld is wel enigszins
vertekend, want de 18-jarigen zijn natuurlijk goeddeels de
vwo-ers die al belangstelling hadden voor zulk soort verhalen.
De thuistaal
(etniciteit) van de leerlingen doet er ook toe: de autochtone
leerlingen springen in verhaalkennis met 80,5% duidelijk boven
de allochtone leerlingen uit (59,7%). Diezelfde distributie
keert terug als we de christenen met de moslims vergelijken:
80,8% van de christenen zegt verhalen over ufo’s te kennen,
tegenover slechts 54,7% van de islamitische leerlingen. Ditmaal
blijken het echter opvallend genoeg de atheïsten te zijn die
het meest verhalen kennen over vliegende schotels: 'ja' zegt
83,2% van de niet-gelovigen! Men zou haast willen vaststellen
dat waar een god uit iemands verwachtingshorizon verdwijnt, er
buitenaards leven voor terugkeert. Vanuit de antropologie is er
al eerder op gewezen dat de mensheid door de eeuwen heen geneigd
is om naar de hemel te kijken als men (on)heil verwacht.
Buitenaards intelligent en technologisch hoog ontwikkeld leven
wordt wel als substituut gezien voor diegenen die geen heil meer
verwachten van een god, engelen of heiligen.
De beste
kenners van ufo-verhalen moeten we dus vooral zoeken onder de
autochtone, atheïstische, wat oudere en hoger opgeleide
leerlingen (m/v).
Verhoudingsgewijs
het minst bekend op school is het verhaalthema van het boze oog.
Mijn voorspelling dat het meer leeft in de allochtone culturen
dan in de Nederlandse, komt zonder meer uit. Meer dan de helft
van de Nederlandse leerlingen (53,2%) heeft nog nooit van het
boze oog gehoord. Overigens kent een respectabel aantal van
38,7% van de Nederlanders wèl het boze oog. Allochtone
leerlingen scoren echter bovengemiddeld op de kennis van het
boze oog; 'ja' zegt 56,5% van de Surinamers, 51,1% van de
Marokkanen en 42,5% van de Turken. Bij latere interviews bleek
dat Turken soms niet hadden begrepen wat ik met het boze oog
bedoelde. Als ik naar ‘nazarboncugu’ had gevraagd, dan
hadden ze dat beter begrepen.
Dat de kennis
van het boze oog zeker ook samenhangt met de religieuze
achtergrond, lag geheel in de lijn der verwachting. De
islamieten zijn bovengemiddeld (46,3%) op de hoogte van het boze
oog; datzelfde geldt opmerkelijk genoeg ook voor de atheïsten
(44,6%): het lijkt wel alsof niet-gelovigen op dit punt
ontvankelijker zijn dan anders-gelovigen. Hindoes en christenen
weten het minst van het boze oog (resp. 37,5 en 35,4%). Onder de
christenen blijken de katholieken weer aanmerkelijk beter op de
hoogte te zijn dan de protestanten (43,5% tegen 27,4%).
Op het gebied
van het schooltype had het me niet verbaasd als de kennis van
het boze oog het hoogst was geweest op de mavo. In de praktijk
blijken de percentages voor mavo, havo en vwo elkaar nauwelijks
te ontlopen. Uiteindelijk scoren de vwo-ers nog net het hoogst:
'ja', zegt daar 46,5%. Eigenlijk valt percentueel vooral op dat
in de brugklas de kennis van het boze oog relatief gering is:
'ja' antwoordde daar 31,7%.
Als je per klas
gaat kijken, kom je voor de kennis van het boze oog soms heel
lage en hoge uitschieters tegen (van ‘ja’ 13,6% tot 64%;
zulke enorme fluctuaties komen bij de geesten- en ufo-verhalen
niet voor). Dit valt voor een deel te verklaren uit de
wisselende etnische samenstelling van de klas, maar niet in alle
gevallen. Ook in sommige klassen met veel Nederlandse leerlingen
komen we toch kennis van het boze oog tegen.
Dat in de
brugklas de kennis van het boze oog relatief gering is, hangt
weer samen met de notie van de leeftijd. Tussen het 12e en 16e
jaar zien we de kenniscurve stijgen van 31,1% naar 50,6% (om
daarna tot en met het 18e jaar overigens weer langzaam iets te
zakken). Het lijkt er hierdoor op alsof de fascinatie voor
‘occulte’ verhalen zijn hoogtepunt bereikt rond het 16e
jaar. Mijn voorspelling dat leeftijd er niets toe doet, kwam
daarmee dus niet uit. Wat er - zoals voorspeld - inderdaad niets
toe doet, is het geslacht: jongens en meisjes scoren even hoog
op hun kennis van verhalen over het boze oog (beiden rond de
40%).
Terwijl een
culturele categorie als religie er niets toe doet bij het horen
van moppen, speelt de geloofsachtergrond juist wel een
belangrijke rol bij de kennis van bepaalde verhaalthema’s.
Verhalen over het boze oog horen bovenal thuis in de
islamitische cultuur. Bij de vraag naar de moppen speelde de
inhoud ervan geen rol, bij de verhaalthema’s draait alles
precies om de inhoud - juist op het inhoudelijke niveau begint
zo’n culturele (kern)waarde als religie dan zijn stempel te
drukken op het verhaalrepertoire. Thuistaal speelt ook een rol,
en leeftijd tot op zekere hoogte eveneens. Geslacht en
schooltype doen er niet toe. Kort gezegd
treffen we op school de meeste verhaalkennis over het boze oog
aan bij islamitische leerlingen (m/v) van rond de 16 jaar.
Conclusies
Op het gebied
van het horen van moppen hebben we op school maar één
duidelijk onderscheidende factor aangetroffen. Iedere leerling
hoort met zekere regelmaat moppen vertellen, ongeacht geslacht,
opleiding, leeftijd of religie. Alleen de etniciteit of
thuistaal blijkt van zeker belang: Nederlanders en Surinamers
horen een gemiddelde hoeveelheid moppen, Turken horen er minder,
en Marokkanen horen er - naar eigen zeggen - wat meer. Verder
hebben we kunnen vaststellen dat veel leerlingen af en toe
moppen vertellen. Opleiding en religie blijken daarbij van geen
belang, maar geslacht, leeftijd en etniciteit wel: jongens
vertellen wat vaker moppen dan meisjes, jongere leerlingen
(12-14 jaar) vertellen wat vaker moppen dan oudere leerlingen
(15-18 jaar) en moppentappers treft men volgens opgave wat meer
aan bij Marokkanen.
|
Relevante
factoren bij...
|
| |
Moppen
horen
|
Moppen
vertellen
|
Verhalen
over geesten
|
Verhalen
over ufo's
|
Verhalen
over het boze oog
|
|
Leeftijd
|
nee
|
ja
|
ja?
|
ja
|
ja
|
|
Geslacht
|
nee
|
ja
|
nee
|
nee
|
nee
|
|
Schooltype
|
nee
|
nee
|
nee
|
ja
|
nee
|
|
Religie
|
nee
|
ja?
|
ja
|
ja
|
ja
|
|
Thuistaal
|
ja
|
ja?
|
ja
|
ja
|
ja
|
De statistiek
heeft laten zien dat steeds andere factoren een rol spelen bij
de kennis van bepaalde verhaalthema’s. Zo is een islamitische
achtergrond bevorderlijk voor verhaalkennis over het boze oog,
en een kennelijke fascinatie voor ufo-verhalen treffen we aan
onder de niet-gelovige, hoger opgeleide autochtonen. Verhalen
over geesten vinden we bij iedere religieuze gezindte aan, maar
wel in het bijzonder bij de hindoestanen. De schijnbare
grilligheid waarmee de factoren optreden, toont hoe ingewikkeld
het mechanisme van de dagelijkse vertelcultuur in elkaar kan
steken, maar biedt anderzijds zicht op enkele patronen en
ontwikkelingen. Geslachtsverschillen blijken in veel gevallen
niet doorslaggevend te zijn - de doorbreking van de traditionele
rollenpatronen lijkt zich onder jongeren algemeen voort te
zetten. Passieve verhaalkennis vinden we bij meisjes en jongens
evenveel, maar moppen vertellen doen jongens nog traditioneel
meer. Als het kennis van de inhoud van bepaalde verhalen
betreft, dan blijken etnische en religieuze
(cultuur-)verschillen regelmatig doorslaggevende factoren te
zijn. Maar daar waren de verhaalthema’s natuurlijk ook wel een
beetje op uitgekozen.
Literatuur
Enkele
publicaties over Lombok en de mondelinge traditie aldaar:
- T. Meder & H. Dibbits:
'Kasbah in de Kanaalstraat. Beeldvorming in en rond een
multi-etnische stadswijk: een verkenning', in: Volkskundig
Bulletin 25 (1999) 1, p.39-70.
- M. van Dijk: 'Berend Botje
in Lombok. Traditionele Nederlandse liedjes en versjes als
bron van inspiratie voor kinderen van allochtone afkomst',
in: J. Helsloot, T. Meder en C. Wijers (red.): De
discipline van het dagelijks leven. Bijdragen voor Ton
Dekker over orale cultuur, feestcultuur en de historiografie
van de volkskunde. Nijmegen 1999, p. 315-339.
- T. Meder: ‘De Turkendisco,
de Spiegelheks en Vrouw Holle. Grappige en griezelige
verhalen van leerlingen’, in: Brown Magazine
(schooljaar 1999-2000) nr.3, p.13-16.
- J. Aarssen, en W.
Jongenburger: Talen en culturen in het Utrechtse Lombok
en Transvaal. Een survey-studie. Amsterdam 2000.
- H. Dibbits: '"In
Turkije gaat het tegenwoordig net zo." De culturele
repertoires van een Turks gezin in een multi-etnische wijk',
in: Amsterdams Sociologisch Tijdschrift 27 (2000) 3,
p. 314-344.
- T. Meder & M. van Dijk: Doe
open Zimzim. Verhalen en liedjes uit de Utrechtse
wijk Lombok. Amsterdam 2000.
- L. Boumans, H. Dibbits en M.
Dorleijn: Jongens uit de buurt. Een ontmoeting met Güray,
Naraen, Hasan, Youssef, Mustafa, Azzadine, Badir en Rachid.
Amsterdam 2001.
- T. Meder (red.): "Er
waren een Marokkaan, een Turk en een Nederlander ...."
Volkskundige en taalkundige opstellen over het vertellen van
moppen in de multiculturele wijk Lombok. Amsterdam 2001.
- H. Bennis, G. Extra, P.
Muysken en J. Nortier (red.): Een buurt in beweging.
Talen en culturen in het Utrechtse Lombok en Transvaal.
Amsterdam 2002.
|