(Toespraak
gehouden op dinsdag 4 maart 2003 ter gelegenheid van het openbaar
worden van de Foppe-collectie in het Meertens Instituut.
Vandaag is in het
huis waarin orale verhalen, hun vertellers en zelfs hun hoeders
vrijelijk mogen verblijven, is een nieuwe bewoner komen wonen:
Frans Foppe.
Frans Foppe, noemde
zich een vertelprofessor. Een titel die hij altijd met een wat
jongensachtige glimlach en ernst uitsprak. Alsof hij wist dat
hij geen professor was maar het wel wilde zijn. Geen universitaire
professor, maar een professor zoals uit een jongensboek omgeven
door een verstrooid en versluierend aureool. Een professor waarvan
je aannam dat hij nooit kind was geweest of op zijn minst als
professor was geboren. Hij wilde altijd overtuigen dat hij alle
verhalen, alles over de vertelkunst en vooral alle vertellers
kende. Zo was hij bezig een vertelbibliografie op te zetten,
wilde hij vertelscholen veroorzaken in welke vorm dan ook. Hij
wilde zich in verhalen hullen maar daarbij boden verhalenbundels,
video- en geluidsbanden met verhalen hem onvoldoende. Hij wilde
boven alles vertellers verzamelen.
Vertellers onder elkaar
Frans Foppe
was een man die naar vertellers speurde. Bij mijn beste weten
was hij altijd wat vaag over wie hij wel en wie hij niet als
verteller zag. Het zal ergens in juni 1982 zijn geweest dat
Frans en ik voor het eerst met elkaar kennismaakten. Vanaf 1975
mocht ik me als jeugd- en schoolbibliothecaris en wat later
als consulent literaire vorming me verdiepen in de bijzondere
wereld van de vertelkunst. Frans zocht mij in mijn toenmalige
woonplaats ’s-Hertogenbosch op. Ik haalde hem bij het station
op en een kwartier daarna zaten we in een eetcafé. Nog voordat
de bediende onze koffie op tafel had gezet, hield hij met zijn
beide handen mijn hoofd vast en met de charme van de vieze oude
man ging hij mij een verhaaltje vertellen. Ik geneerde me, maar
luisterde. Nog nooit heb ik zo intens naar een verhaal geluisterd
als toen. Frans was nog niet klaar met zijn verhaal of hij zei:
"En nou jij!" Hij zag dat ik aarzelde. "Ik heb
jou een verhaal verteld en nou moet jij ook een verhaal vertellen.
Dat hoort zo." Hij zei het zo overtuigend dat ik me als
een kind voelde dat voor het eerst met vreemde kinderen aan
een spelletje meedeed waarvan ik de spelregels niet kende. En
Frans was het bazige jongetje die deed alsof hij het voor het
zeggen had.
Met het gevoel dat
ik niet helemaal aan zijn wensen kon voldoen, vertelde ook ik
een verhaal. Ik zag dat hij genoot. Of hij mijn verhaal volgde,
weet ik niet; hij bekeek me. Taxeerde mijn expressie. Met mompelende
geluidjes en met die kenmerkende muizig-mimische trekjes op
zijn gezicht volgde hij mijn verhaal. Samenzweerderig zei hij
na afloop: "Nu zijn wij als vertellers onder elkaar."
Hij pakte zijn fototoestel
en maakte een foto van me.
"Ik herken
meteen vertellers," zei hij. "Voortaan moeten wij
elkaar vertellen."
Vanaf die dag hebben
Frans en ik vele gesprekken gevoerd, maar zijn idee te vertellen
om daarmee een verhaal terug te krijgen is me tot de dag van
vandaag blijven boeien. Als verteller ontmoet ik veel kinderen.
Het is zeker ook Frans Foppe geweest die mij voortdurend uitdaagde
mijn vertelervaringen uit te dragen. Ook vandaag wil ik dat
graag doen.
Waar is een verteller zonder publiek?
Wie goed vertelt
laat zijn publiek genieten. Kinderen laten een verteller delen
in hun plezier als hij een verhaal goed vertelt. Zij hebben
een interactieve relatie met de verteller. Ze zijn muisstil
als ze heel benieuwd zijn naar wat er gaat komen. De verteller
bespeurt onrust onder zijn jonge publiek als de spanning hen
teveel wordt. Of is het ook hun ongerustheid over het verloop
van het verhaal, soms? Tot nu toe heb ik zeker twee keer meegemaakt
dat een paar kinderen met dikke tranen rollend over hun wangen
zonder één woord te zeggen, aan mij vroegen het verhaal niet
verkeerd te laten aflopen. Jonge kinderen zeker bootsen de gebaren
van een verteller graag na. Het is daarom voor de verteller
een verrukkelijk spel zijn gebaren tijdens zijn verhaal extra
aandacht te geven.
Rumoerig zijn ze
als de verteller hen even in verwarring brengt, rumoerig ook
als de verteller zijn verhaal niet meer in de hand heeft. O
ja, ze roepen, joelen, lachen, klappen in hun handen of stampen
op de grond ook bij wijze van bewondering en aanmoediging. In
het begin van de carrière van iedere verteller bezorgt deze
hilariteit hem vaak een natte rug, zeker als je een verteller
van de koude grond bent. Daarom is het heerlijk om in Nederland
veel vertellers uit bijvoorbeeld de Caraïben te hebben. Velen
hebben de verwachte hilariteit van hun publiek al in hun vertelling
ingebouwd. Sommige van die verhalen kun je niet eens meer vertellen
als het dansen en zingen daarbinnen wordt weglaten.
Verhalen vertellen over de levenskunst
Wie aan kinderen
vertelt, geeft plezier en biedt hen een sfeer van geborgenheid.
Een verteller vervult voor hen ook een pedagogische functie.
Met zijn verhalen reikt de verteller hen vergelijkingen aan.
Verhalen helpen het kind zijn wereld te differentiëren en helder
te maken. Het kind krijgt door het luisteren naar verhalen mogelijkheden
aangereikt die zijn vaardigheden vergroten qua taal, motoriek,
cognitie, emotie, fantasie en zintuiglijke waarneming.
Afhankelijk van
hoe vaardig een kind op deze gebieden is, kunnen verhalen een
gids zijn bij zijn speuren naar en het ontdekken van zijn levenskunst.
Zoals die ene keer.
Marieke, een dreumes van nog geen drie, stond bij mij in de
tuin naar een hommel te kijken die hommelend de klokjes van
mijn vingerhoedskruid binnendrong. Ze liep naar me toe en wees:
"Wat doet die daar?" Al mijn kennis over het vergaren
van nectar en kruisbestuiving lieten me bij het zoeken naar
mijn antwoord aan haar in de steek.Wat schuldig zei ik tegen
Marieke: "Die hommel vindt dat lekker, binnenin de bloem
zit een hele kleine lolly. Alleen hommels vinden dat lekker."
Ze keek me even wat bedenkelijk aan, daarna liep ze terug naar
haar hommel. Na een tijdje kwam ze opnieuw naar mij toe en vroeg:
"Mag ik een lolly?" Ik vond in het snoepdoosje alleen
maar wat zuurtjes en ik gaf er een aan haar. Wonderlijk genoeg
stelde zij zich daarmee tevreden. Heel geduldig ging ze voor
het vingerhoedskruid zitten. Met haar hoofd bootste ze de kenmerkende
manier van vliegen van de hommel na. Daarbij maakte ze met haar
tong hoorbare likbewegingen. Telkens als een hommel de bloem
binnendrong, likte ze slurpend aan haar zuurtje. Omdat ik graag
met haar wilde genieten, nam ik ook een zuurtje en ging naast
haar zitten. Met de ernst van een onderzoeker, liet Marieke
me af en toe aan haar zuurtje likken. Vanzelfsprekend keurde
ze ook die van mij. Zelden heb ik mij zo kunnen identificeren
met een hommel als toen.
Vertellen
doe je oprecht
Iemand die aan jonge
kinderen vertelt, is naar zijn beste kunnen altijd oprecht.
Wat je voelt, komt altijd over bij kinderen, zeker bij jonge
kinderen. Zelfs als je jouw gevoel probeert te verstoppen. Juist
dan pikken de kinderen datgene op wat je probeert te verbergen.
Voorbeeld.
Je hebt de keuze een verhaal uit een boek over een grote hond
wel of niet te vertellen. Jouw ervaringen met een grote hond
zijn nu bepalend of je dit verhaal wel of niet kunt vertellen.
Bedenk dat je tijdens en na het vertellen allerlei vragen van
het kind krijgt! Stel, je loopt met een jong kind aan de hand
over straat. In de verte zie je een grote hond aankomen. Dan
heb je minstens drie mogelijkheden. Je loopt gewoon door en
aan die hond schenk je geen aandacht. Je zoekt even contact
met het dier, aait hem misschien zelfs. Of je slaat, bang als
je bent, angstvallig een ander straatje in. Maar als dat niet
kan? Dan knijp je angstvallig in het handje van het kind als
die hond dichterbij komt. Op het nippertje steek je de straat
over. Je sleurt dan dat jonge kind bijna achter je aan met de
woorden: "Hondje, doet niks hoor." Zelf ben je overduidelijk
bang. Terwijl je eigenlijk probeert te vermijden dat het kind
bang voor een grote hond is, maak je het kind nu juist volop
attent op jouw angst. Zo'n angst slaat over op dat kind.
Heb je dan gefaald?
Och, je bent immers een mens met goede en oprechte bedoelingen.
Maar je gaat vast en zeker wel fouten maken als je, bang als
je bent, dat verhaal daarna over die grote 'enge' hond gaat
vertellen aan kinderen. Tijdens jouw vertelling breng je dan
ongewild iets van jouw bangigheid over op kinderen, al is het
nog zo'n leuk verhaal.
Als een verhaal
je tegenstaat, vertel het dan niet.
Vertellen is meer dan gezellig, alleen
Wie aan kinderen
vertelt, is zich misschien niet zo bewust van de sociale functie
van het vertellen. Een verteller laat het kind ervaren hoe prettig
het is in zijn eentje of in een groep van iemand te genieten
die een verhaal vertelt. Maar ook het kind dat gewend is naar
verhalen te luisteren, biedt zijn ervaringen over gezelligheid
aan zijn verteller aan. Tegelijkertijd ervaart het kind dat
het luisteren naar een ander ook andere bijzondere kanten heeft:
het kind leert een ander beter kennen.
Een kind wil jou
als verteller nadoen en wil zelf ook gaan vertellen. Wie naar
een kind wil luisteren daagt hem uit zijn verhaal aangenaam
en in rust te vertellen. Als wij kinderen bijvoorbeeld alleen
maar vragen naar ons te luisteren, dan zullen zij onze verhalen
wel horen met hun oren maar niet horen met hun hart.
Hoe kan het toch
dat wij de ene persoon heerlijk vinden vertellen, terwijl we
dat gevoel bij een ander helemaal niet hebben. Integendeel,
je volgt niet eens het verhaal terwijl de gebeurtenis op zich
spectaculair kan zijn. Waar zit dat in? Hèt antwoord heb ik
daar niet op.
Eén van de belangrijkste
dingen is dat de verteller opnieuw beleeft wat er gebeurde,
opnieuw de situatie als het ware doorvoelt en doorleeft met
de geur en de smaak, met de geluiden en de beelden, met alle
gevoelens voor de mensen in dat verhaal en de gevoelens voor
wat er gebeurt. Dan komen de woorden vanzelf en draagt de verteller
zijn gevoel over. Een verhaal krijgt een extra maar ook noodzakelijke
dimensie wanneer een verteller blijk geeft zijn publiek te kennen.
Zo zal een vader en een moeder hun kind een rol geven in een
verhaal. Dit geeft een kind eenzelfde gevoel van mystiek als
de geheimzinnige waas die rondom het boek van Sinterklaas hangt.
Wie aan onbekende kinderen vertelt, bijvoorbeeld aan kleuters,
dient in mijn ogen de kleuterwereld te kennen. Zonder die kennis
is een verteller met vreemden in één ruimte, waarbij niet alleen
het verhaal wegkwijnt.
… ze willen zelf ook vertellen
Kinderen kunnen
allemaal vertellen en hoe! Ze moeten wel van het begin af aan
luisteraars gehad hebben. Wanneer ouders, broertjes, zusjes,
opa's of oma's de tijd hebben genomen naar de verhalen van het
kind te luisteren voelt het kind zich serieus genomen. Dan voelt
het kind dat het de moeite waard is om naar te luisteren, dat
zijn of haar verhaal belangrijk is. Dan leert het kind gebeurtenissen,
gedachten, gevoelens en ideeën onder woorden te brengen. En
al doende durft het kind alles naar voren te brengen. Omdat
het al doende ook heeft geleerd wat het, wanneer het en hoe
het kan vertellen. Het kind oefent zo het ordenen van gedachten
en gevoelens. Het kind leert de wereld met de mensen kennen.
Het kind oefent natuurlijk op deze manier het vertellen en groeit
al doende in actief taalgebruik. Een kind naar wie geluisterd
wordt, dat serieus genomen wordt, is ook beter in staat zelf
naar anderen te luisteren en anderen serieus te nemen.
Niet alle kinderen
hebben het geluk aandachtige volwassenen om zich heen te hebben.
Deze kinderen voelen dat hun verhaal in de regel niet belangrijk
is. Zij verleren het vertellen en krijgen ook steeds meer moeite
duidelijk te zijn omdat ze of te snel willen vertellen of eindelijk
zo genieten van de aandacht dat ze te uitgebreid vertellen.
Beide wijzen van vertellen roepen bij de betreffende volwassene
en andere kinderen irritatie op. Met als gevolg dat het kind
het de volgende keer nog moeilijker heeft met vertellen en misschien
meteen al merkt dat de luisteraar zich voorbereidt op een nieuwe
irritatie. Je kunt je voorstellen dat zo'n spiraal in de regel
bergafwaarts draait.
Kinderen aan wie
regelmatig veel voorgelezen en vooral verteld wordt, hebben
het geluk de sfeer van geborgenheid te kennen en ze leren vele
verhalen kennen. Zij ontwikkelen hun gevoelsleven "in natura"
en niet alleen in de verhalen van tv-films en videobanden. Luisteren
naar verhalen heeft invloed op de manier van tegen de wereld
aankijken en heeft invloed op de manier waarop kinderen hun
eigen verhalen vertellen.
In mijn leven heb
ik bijzondere mensen ontmoet die de kunst van het vertellen
beheersten, maar ook mij uitdaagden met mijn vertellen aan de
slag te gaan. Van één wil ik jullie laten genieten. Willem Iven,
hij overleed eind zestiger jaren.
Mijn meester vertelde
Mijn hoofdonderwijzer
heette Willem Iven. Hij is mijn voorbeeld als verteller. Ik
pas nog dagelijks in mijn vak als verteller zeker drie dingen
toe die ik van hem heb geleerd. Bestaande gebeurtenissen in
een verhaal zo te bewerken dat anderen er zich ook in zullen
herkennen. Met al mijn zintuigen verblijf ik in een verhaal,
al vertel ik daar niet over, maar als jij mij midden in het
verhaal zou stoppen en mij bijvoorbeeld zou vragen wat voor
een weer het is, kan ik jou dat meteen zeggen. Het derde dat
ik heb geleerd, is eindeloos aan een verhaal te blijven sleutelen.
Maar kom, ik wil
jullie mijn meester voorstellen.
Hij zag er voor
mij in het begin gevaarlijk uit. Hij had een groot hoofd. Hij
droeg een zware bril met een zwart montuur. Hij had zijn 'lange'
zwarte haren achterover gekamd. Hij kon brullen als een stier
in nood. In de kerk zong en bad hij altijd vanuit het koor veel
te hard mee. Hij sjokte een beetje. Het kruis van zijn broek
hing dikwijls te laag.
Hij wist dat juist
de kleintjes op school het bangst voor hem waren. Daarom kwam
hij aan het begin van het schooljaar met zijn solex naar school
en mochten alle eersteklassers bij hem achterop. Hij scheurde
dan met zo'n bang wezentje op de bagagedrager een rondje over
de speelplaats. Een keer reed hij zelfs de school binnen. Ik
weet dat nog zo goed omdat ik toen bij hem achterop zat.
Het zou nog vijf
jaar duren voordat ik hem als leraar kreeg. Hoe mijn vijfde
en zesde klas bij hem precies verliepen weet ik niet meer zo
goed. Wat ik wel heb onthouden is zijn vertelkunst. Van zijn
verhalen ben ik de tekst kwijt. Maar de beelden kan ik me nu,
zelfs na zo’n 38 jaar, nog steeds voor de geest halen en pas
dan komen er weer woorden. Woorden die inmiddels van mij zijn.
Iven gaf zijn woorden in bruikleen, met de bedoeling dat wij
er onze eigen weg mee zouden inslaan.
Zelfs als hij les
gaf, vertelde hij. Hij kon me rekenen leren, vooral de redactiesommen,
omdat hij met zijn vertellen de sommen liet leven. Als de ramen
vanwege de hitte open stonden en hij behandelde de poolgebieden,
zat je te blauwbekken in je bank. Hij nam je aan zijn vertelhand
in de gangen van een mol mee. Daarom hoorde ik later bijvoorbeeld
bij het lezen van Bomans' Erik, of Het kleine insectenboek niet
Bomans' karakteristieke stem, maar de stem van Willem Iven.
Ondanks zijn wisselende en soms ongenaakbare humeur werd zijn
vertelkunst voor mij een gids bij het lezen van verhalen en
later een leidraad bij het vertellen van mijn eigen verhalen.
Op een keer, ik
zat toen in de zesde klas, vroeg ik aan Iven waar hij zijn verhalen
vandaan haalde. Hij liep daarop naar een glazen wandkast en
schoof de enige deur, waar een gordijntje voor hing, open. Hij
pakte een boek, waarvan ik de titel1 pas later, toen
ik het bij een antiquariaat kocht, weer herkende. Ik mocht het
meenemen. Op weg naar huis had ik een waas voor mijn ogen: ik
had nu zijn geheim in handen. Ik zou, als ik het boek
had gelezen, ook kunnen vertellen. Het was: mijn steen van
Rosetta. Ik las. Lezen buiten school om was toen voor mij
iets onbekends omdat we thuis geen boeken hadden. Niemand uit
onze klas, in dat dorpje van nauwelijks duizend inwoners2,
had boeken. Een bibliotheek was er toen niet.
Ik bladerde en ik
las fragmenten, maar nergens herkende ik de verhalen die ik
had gehoord. O jawel, de verhalen leken wel, maar meester Iven
maakte er andere verhalen van.
Na een week toen
ik het boek terugbracht, vertelde ik mijn teleurstelling. Hij
reageerde nors. Ik had het gevoel alsof ik weer dat bange jongetje
achterop zijn solex was. Een maand later, geloof ik, kreeg ik
van hem tijdens de les verplicht stillezen het boek Dode
lente van Rachel Carson3.
Iedereen mocht een
uurtje lezen in de "Kinderen van 1813" van An Rutgers
van der Loeff-Basenau4, het eerste kinderboek dat
we ooit zonder bruine kaft onder ogen kregen. Ik moest van hem
twee weken op een rij in Dode lente lezen. Populair-wetenschappelijke
literatuur van één van de wonderlijkste vrouwen die ik ken.
Zij was het die voor het eerst vanuit een wetenschappelijke
visie het gebruik van synthetisch-organische verdelgers scherp
aan de kaak stelde. Voor mij werd dit mijn eerste echte lesboek,
niet in milieu-educatie, maar in de vertelkunst.
"Er heerste
een merkwaardige doodse stilte. De vogels bijvoorbeeld, waar
waren ze gebleven? Velen spraken erover, onbegrijpend en verontrust.
De voedertafels in de achtertuinen bleven onbezocht. De weinige
vogels die nog gezien werden, zieltoogden; zij trilden over
hun lijven en konden niet vliegen. Het was een lente zonder
lentestemmen. De morgens, die eens vervuld waren van het gezang
en geroep van roodborstjes, spotlijsters, duiven, Vlaamse gaaien,
winterkoninkjes en tal van andere vogels waren nu dood; geen
geluid klonk over de velden en bossen en heiden.
Op de boerderijen
broedden de kippen wel, maar geen kuikens werden geboren. De
boeren klaagden dat ze geen varkens meer konden fokken; de worpen
waren klein en de jongen leefden slechts enkele dagen. De appelbomen
bloeiden wel, maar geen bijen gonsden om de bloesem, zodat er
geen bevruchting plaats vond en er dus geen vruchten zouden
komen. De bermen van de weg, die eens pronkten van schoonheid,
waren thans begroeid met bruine en halfvergane planten, alsof
er een vuur had gewoed. Ook de wegen lagen stil en verlaten,
alsof geen levende wezens ze meer wilden betreden. Zelfs de
beken waren levenloos. Hengelaars kwamen er niet meer, want
de vis was uitgestorven.
De mens had dit
over zichzelf gebracht."
Op een dag vertelde
meester Iven een verhaal. Het kwam regelrecht uit Dode lente.
Ik zat op het puntje van mijn stoel. Knap hoe hij voor ons het
boek samenvatte. We genoten van zijn verhaal, maar ik luisterde
ook als een leerling-verteller naar hem. Ik kende de tekst,
zoals ik deze had gelezen. Hij gebruikte eigenlijk alleen de
inleiding van Carsons boek. Ik kreeg door hoe hij ons, als boerenkinderen,
aansprak op wat we al wisten. Zijn kijk op de dingen gaf beroering.
Hij kende als dorpsmeester ons huiselijk leven als geen ander.
Iedereen in de klas had tijdens Ivens vertelling het kippenhok,
varkenskot, de melk-of koeienstal of haag of beuk in zijn of
haar eigen omgeving voor ogen. Hij wijdde uit over wat we zo
goed kenden. We griezelden bij de gedachte dat de dood van een
koe of het verdwijnen van madeliefjes in het weiland misschien
wel kwam omdat onze vaders met gif hadden gespoten.
De stiltes in zijn
verhaal waren om te snijden. Hij luisterde dan of hij een vogel
hoorde fluiten. Tijdens zo'n stilte hoorden we alleen af en
toe een auto voorbijrazen. Geen rampenfilm heeft op mij
later meer indruk gemaakt, dan Ivens vertelling toen. Met zijn
handen in de zakken van zijn veel te wijde broek wapperde hij
ijsberend door de klas. Zijn onrust, omdat geen vogel wilde
zingen, ging bij ons door merg en been. Hij floot slecht, maar
toen was elk geluid waarmee hij een vogel nabootste, een verademing.
Hij gaf ons hoop.
Hij declameerde
in zijn verhaal het gedicht Gierzwaluwen van Guido Gezelle.