|
Veel vertellers zijn
van jongs af aan gegrepen door verhalen. Vaak zijn ze geïnspireerd
door een leerkracht van de lagere school.
Voor ons werk bij
stichting Beleven komen we op basisscholen in de
achterstandswijken in Arnhem. Het valt op dat de
kinderen minder verbeeldingskracht hebben. En het valt
nog meer op dat de leerkrachten minder verhalen
vertellen. Vanuit stichting Beleven gaat regelmatig de
stem op, om niet alleen met de kinderen te werken aan
verbeeldingskracht, maar om ook met de studenten van de
PABO aan de slag te gaan.
We zijn hierover in gesprek gegaan met Franke Coxma,
docent Nederlands op de PABO in Arnhem en een bevlogen
verteller. Hij is een van de oudere docenten, bijna 60
jaar. In 1972 begon hij bij de KLOS, de
kleuterleidsteropleiding. Wij spreken over verhalen
vertellen op scholen door de tijd heen.
"Op de
basisscholen is het vertellen langzaam afgenomen. Je
moet ook durven vertellen, 9 van de 10 leerkrachten
leest voor i.p.v. te vertellen. Vaak houden ze ook te
veel vast aan de tekst, ze durven hun fantasie niet te
laten lopen", zegt Franke. Alleen confessionele
scholen beginnen nog elke dag met een bijbelverhaal dat
uit het hoofd verteld wordt. Een heerlijk rustig begin
van de dag. Ook op vrije scholen wordt veel verteld, ook
nog op de vrije middelbare school. Verhalen vertellen
leeft wel op de PABO, maar het mag extra gepromoot
worden. En ook het aandragen van goede verhalen is
welkom.
Franke: “in het eerste jaar moeten studenten 30
kinderboeken lezen, dat vinden ze zwaar, ze lezen zelf
niet veel. Zeker de studenten van de Mbo-instroom, de
klassenassistenten”.
Studenten bestuderen
zelfstandig een studieboek over indeling van verhalen in
genres en welk genre geschikt is voor welke leeftijd.
Over welke inhoud geschikt is maakt de student een
keuze, die zij of hij bespreekt met de stageschool. Die
school is uiteindelijk verantwoordelijk. In principe
leert de PABO bij de keuze uit te gaan van het kind in
een bepaalde situatie.
Op de PABO valt vertellen onder Nederlands, het is geen
apart vak. De grens tussen vertellen en toneelspelen is
niet heel duidelijk, maar wel belangrijk, in de jaren 70
waren hier hele discussies over. In de jaren 70 gaf
Franke les op de KLOS (kleuterleidsteropleiding). De
studenten oefenden vanaf het eerste jaar in vertellen
voor de kleuters van de school ernaast. Ze vertelden om
de beurt, de rest keek mee van achter een spiegelwand en
het werd besproken. De druk van het bekeken worden
leidde tot een soort van plankenkoorts en suggesties die
werden gedaan waren vooral van toneeltechnische aard. Er
werd weinig gelet op hoe kinderen reageerden.
"Vertellen
is laten zien in woorden, vanuit stemgebruik. Als de
leerkracht beeldend vertelt, leren de kinderen zien wat
ze horen: ze zien hun eigen beelden. Daardoor
ontwikkelen ze fantasie, vormkracht en
verbeeldingskracht. In het vertellen kan de leerkracht
de kinderen echt raken", aldus Franke. De
leerkrachten zien dit belang wel, maar ze moeten het ook
durven en gewoon doen. Een goede tip: vraag eens aan de
kinderen: "Mag ik jullie een verhaal
vertellen?" Dat kan al een opening zijn, want het
vertellen wordt dan het met elkaar delen van beelden.
Met de komst van de AVI
methode om het taalniveau van een kind te kunnen meten,
is taal in het algemeen en lezen in het bijzonder vooral
een technische aangelegenheid geworden. Aan de inhoud
c.q. vorm lijkt te worden voorbijgegaan.
De conclusie van dit te kort durende gesprek mag dan ook
luiden: meer verhalen, meer beeld, meer vertellen is
dringend gewenst.
|
Zelf
kan ik vertellen over Frater Egbert, die dagelijks om
half 4 zijn liniaal oppakte en deze licht naar boven
liet wijzen alsof hij ermee op het bureau zou slaan; dat
was niet nodig, als een wervelwind maakte de klas zijn
tafel leeg, schroefde de inktpotjes dicht en zat min of
meer kaarsrecht. En als Frater Egbert dan vertelde,
hoorden we de paarden kreunend en zwoegend
de woeste Rubicon oversteken met keizer Caesar aan het
hoofd van een bende joelende soldaten. Omdat Egbert ook
de bovenmeester was en zieke leerkrachten toentertijd
ook voor kwamen werd de sensatie van dat laatste
kwartier regelmatig herhaald.
Op een keer, ik zat toen in de zesde klas, vroeg ik
aan frater Egbert waar hij zijn verhalen vandaan haalde.
Hij liep daarop naar een glazen wandkast en schoof de
enige deur, waar een gordijntje voor hing, open. Hij
pakte een boek, waarvan ik de titel niet zag, hij
wapperde ermee voor mijn gezicht en zei met barse stem
“dàt boek lees jij later wel” Hij gaf een ander
boek mee, en dat las ik in één adem uit.
In
1985 bezocht ik mijn lagere school ter gelegenheid van
een reünie.
Slenterend, ruikend, herinnerend dwaalde ik door de
gangen.
Het lokaal van Frater Egbert had een andere functie maar
de platen aan de muur, het grote groene schoolbord en de
glazen kast aan de wand waren er nog, het leek een
eerbetoon. Alleen het gordijn in de kast was weg. Zelfs
de boekenstapel in de kast leek hetzelfde, wàs
hetzelfde! Ik schoof het kastje open (zo groot was het
nou ook weer niet). Het grote boek van Frater Egbert lag
er nog.
Trillend pakte ik het op, ik durfde het stof er niet af
te blazen, maar sloeg het boek voorzichtig open.
Leeg, een groot boek met lege bladzijden.
Volle verhalen uit een grote wereld met kleurrijke
mensen.
Rens de
Vette
|