Stichting Vertellen Storytelling Foundation Nationale Verteldagen U zoekt een verhaal? Boekenlijst Links  Over vertellen  Vragen
Vertellers Vertelcursussen

Vertelkringen

Vertelhuizen Mailinglijst Vertelagenda Contact Startpagina  
STICHTING VERTELLEN  Platform voor de Vertelkunst in Nederland
Franke Coxma: Vertellen durven en doen
door Rens en Lidwien de Vette
Een aanzet voor een discussie over het vertellen van verhalen binnen het basisonderwijs?

Dit artikel verscheen in het zomernummer 2006 van Vertellers magazine VERTEL EENS

Veel vertellers zijn van jongs af aan gegrepen door verhalen. Vaak zijn ze geïnspireerd door een leerkracht van de lagere school.

Voor ons werk bij stichting Beleven komen we op basisscholen in de achterstandswijken in Arnhem. Het valt op dat de kinderen minder verbeeldingskracht hebben. En het valt nog meer op dat de leerkrachten minder verhalen vertellen. Vanuit stichting Beleven gaat regelmatig de stem op, om niet alleen met de kinderen te werken aan verbeeldingskracht, maar om ook met de studenten van de PABO aan de slag te gaan.
We zijn hierover in gesprek gegaan met Franke Coxma, docent Nederlands op de PABO in Arnhem en een bevlogen verteller. Hij is een van de oudere docenten, bijna 60 jaar. In 1972 begon hij bij de KLOS, de kleuterleidsteropleiding. Wij spreken over verhalen vertellen op scholen door de tijd heen.

"Op de basisscholen is het vertellen langzaam afgenomen. Je moet ook durven vertellen, 9 van de 10 leerkrachten leest voor i.p.v. te vertellen. Vaak houden ze ook te veel vast aan de tekst, ze durven hun fantasie niet te laten lopen", zegt Franke. Alleen confessionele scholen beginnen nog elke dag met een bijbelverhaal dat uit het hoofd verteld wordt. Een heerlijk rustig begin van de dag. Ook op vrije scholen wordt veel verteld, ook nog op de vrije middelbare school. Verhalen vertellen leeft wel op de PABO, maar het mag extra gepromoot worden. En ook het aandragen van goede verhalen is welkom.
Franke: “in het eerste jaar moeten studenten 30 kinderboeken lezen, dat vinden ze zwaar, ze lezen zelf niet veel. Zeker de studenten van de Mbo-instroom, de klassenassistenten”.

Studenten bestuderen zelfstandig een studieboek over indeling van verhalen in genres en welk genre geschikt is voor welke leeftijd. Over welke inhoud geschikt is maakt de student een keuze, die zij of hij bespreekt met de stageschool. Die school is uiteindelijk verantwoordelijk. In principe leert de PABO bij de keuze uit te gaan van het kind in een bepaalde situatie.
Op de PABO valt vertellen onder Nederlands, het is geen apart vak. De grens tussen vertellen en toneelspelen is niet heel duidelijk, maar wel belangrijk, in de jaren 70 waren hier hele discussies over. In de jaren 70 gaf Franke les op de KLOS (kleuterleidsteropleiding). De studenten oefenden vanaf het eerste jaar in vertellen voor de kleuters van de school ernaast. Ze vertelden om de beurt, de rest keek mee van achter een spiegelwand en het werd besproken. De druk van het bekeken worden leidde tot een soort van plankenkoorts en suggesties die werden gedaan waren vooral van toneeltechnische aard. Er werd weinig gelet op hoe kinderen reageerden.

 "Vertellen is laten zien in woorden, vanuit stemgebruik. Als de leerkracht beeldend vertelt, leren de kinderen zien wat ze horen: ze zien hun eigen beelden. Daardoor ontwikkelen ze fantasie, vormkracht en verbeeldingskracht. In het vertellen kan de leerkracht de kinderen echt raken", aldus Franke. De leerkrachten zien dit belang wel, maar ze moeten het ook durven en gewoon doen. Een goede tip: vraag eens aan de kinderen: "Mag ik jullie een verhaal vertellen?" Dat kan al een opening zijn, want het vertellen wordt dan het met elkaar delen van beelden.

Met de komst van de AVI methode om het taalniveau van een kind te kunnen meten, is taal in het algemeen en lezen in het bijzonder vooral een technische aangelegenheid geworden. Aan de inhoud c.q. vorm lijkt te worden voorbijgegaan.
De conclusie van dit te kort durende gesprek mag dan ook luiden: meer verhalen, meer beeld, meer vertellen is dringend gewenst.

 

Zelf kan ik vertellen over Frater Egbert, die dagelijks om half 4 zijn liniaal oppakte en deze licht naar boven liet wijzen alsof hij ermee op het bureau zou slaan; dat was niet nodig, als een wervelwind maakte de klas zijn tafel leeg, schroefde de inktpotjes dicht en zat min of meer kaarsrecht. En als Frater Egbert dan vertelde, hoorden we de paarden kreunend en   zwoegend de woeste Rubicon oversteken met keizer Caesar aan het hoofd van een bende joelende soldaten. Omdat Egbert ook de bovenmeester was en zieke leerkrachten toentertijd  ook voor kwamen werd de sensatie van dat laatste kwartier regelmatig herhaald.
Op een keer, ik zat toen in de zesde klas, vroeg ik aan frater Egbert waar hij zijn verhalen vandaan haalde. Hij liep daarop naar een glazen wandkast en schoof de enige deur, waar een gordijntje voor hing, open. Hij pakte een boek, waarvan ik de titel niet zag, hij wapperde ermee voor mijn gezicht en zei met barse stem “dàt boek lees jij later wel” Hij gaf een ander boek mee, en dat las ik in één adem uit.

In 1985 bezocht ik mijn lagere school ter gelegenheid van een reünie.
Slenterend, ruikend, herinnerend dwaalde ik door de gangen.
Het lokaal van Frater Egbert had een andere functie maar de platen aan de muur, het grote groene schoolbord en de glazen kast aan de wand waren er nog, het leek een eerbetoon. Alleen het gordijn in de kast was weg. Zelfs de boekenstapel in de kast leek hetzelfde, wàs hetzelfde! Ik schoof het kastje open (zo groot was het nou ook weer niet). Het grote boek van Frater Egbert lag er nog.
Trillend pakte ik het op, ik durfde het stof er niet af te blazen, maar sloeg het boek voorzichtig open.

Leeg, een groot boek met lege bladzijden.
Volle verhalen uit een grote wereld met kleurrijke mensen.

Rens de Vette