Stichting Vertellen Storytelling Foundation Nationale Verteldagen U zoekt een verhaal? Boekenlijst Links  Over vertellen  Vragen
Vertellers Vertelcursussen

Vertelkringen

Vertelhuizen Mailinglijst Vertelagenda Contact Startpagina  
STICHTING VERTELLEN  Platform voor de Vertelkunst in Nederland

Vertellen

Prof dr. Maartje Draak - hoogleraar Keltische letterkunde

Ik denk dat het vroegste verhaal verteld werd in een veilige grot bij het vuur, na een verslag van dagelijkse gebeurtenissen. Het was de oude grootvader van de familiegroep die zich – met plezierig gevulde maag- een jachtavontuur van lang geleden veel mooier herinnerde dan het geweest was. Want een verhaal is meer dan een verslag. Aan een verhaal wordt iets toegevoegd, van en door de spreker zélf, ander taalgebruik, andere details.

Hoe lang geleden dit plaatsvond en waar valt niet na te gaan. Voorwaarden zijn de beschikbaarheid van al veilige grotten, en vuur dat bescherming bood. Maar vooral was vereist een zover ontwikkelde taal dat beelden -verbeeldingen- opgewekt konden worden bij de hoorders en dat zij dit prettig vonden.

Voor zover wij weten is dat het wezenlijkste verschil tussen geëvolueerde mensentaal en (blijkbaar) niet geëvolueerde dierentaal: het taalgebruik van dieren schijnt niet verder te gaan dan plotselinge en onsamenhangende uitingen van persoonlijke emotie of praktische signalen. Luister naar het spreken (niet zingen!) van merels. Men kan kreten onderscheiden van schrik, waarschuwing, tevredenheid en/of behoefte aan de partner, maar voor verhalen is meer nodig.

Het vertellen van verhalen vergt kracht en betovering van de taal. Het voordragen brengt de mogelijkheid tot nieuwe inzichten, een uitbreiding van ervaringen met zich mee, en dit in een samenhangend geheel. De verteller geeft uiting aan zichzelf maar tevens bespeelt hij zijn gehoor. Er ontstaat een wisselwerking. Vertellen wordt een uitvoerende kunst, zoals muziek, toneel, dans. Voor een verteller behoeft de groep luisteraars niet groot te zijn maar hij heeft ze wel nodig. Op een onbekend tijdstip moet de vroegste verteller, de grootvader in de veilige grot, buiten zijn familiegroep zijn opgetreden, omdat anderen nieuwsgierig waren geworden, er om vroegen. Vanaf dat moment werd de verteller gedeeltelijk of geheel professioneel.

Wat kan die verteller hebben verteld? Mogelijk een jachtavontuur dat hij zich mooier herinnerde dan het geweest was. Zijn fantasie -om dat belangrijke woord te gebruiken- deed hem zijn succes bij de jacht toedichten aan een onverwachte, onvermoede ingreep van een onbekend wezen. Het was een ‘ontmoeting’ met gunstige gevolgen en het had al drie aspecten voor de toekomst van de vertelkunst: onderwijs, religie en schoonheid. Onderwijs: mogelijk had de verteller door een normale, maar niet zo vaak voorkomende samenloop van omstandigheden een betere jachttechniek ontdekt, die zijn latere hoorders door zijn verhaal leerden kennen en daarna zelf begonnen toe te passen. Aan de buitenkant van de luisteraarskring meenden sommigen dat er een geheimzinnige macht zou kunnen schuilen in het voordragen van het verhaal zelf, en dat het mogelijk moest zijn gebeurtenissen te dwingen door ze te vertellen, en dat is een onderdeel van religie. Schoonheid telde zodra de vertellers in aantal toenemen: men luisterde liever naar de een dan naar de ander.

Toen de verteller geleidelijk professioneel begon te worden, kreeg hij behoefte aan meer dan één verhaal, en hij merkte dat hij met het ene meer succes had dan met het andere. Zijn hoorders vroegen soms om verhalen die zij al eens hadden gehoord, en dit bracht herhaalbaarheid van verhaalinhoud en bewonderde voordracht in het geding.
De vertelgrootvader kreeg navolgers en opvolgers. Verhalen bleken voldoening te geven aan algemeen menselijk verlangens. De gemeenschap ging vertellers belonen, later zelfs onderhouden.
In welke tijd zou men hebben ontdekt dat verhalen een dubbele bodem kunnen hebben?
Dat er onder de oppervlakte nog een mededeling verborgen kan zijn van kennis of wijsheid?
Wie heeft voor het eerst aangedurfd om te experimenteren met de kracht en uitwerking van toverformules? Wij horen nog steeds niet graag een verwensing.

Hoe kan geleidelijk het beschikbaar komende repertoire gegroeid zijn en met welke term zouden we de voor ons tot zeker 95 procent verloren gegane teksten het beste kunnen aanduiden? Men zou het proto-literatuur kunnen noemen.
Ook spreekt men wel over orale literatuur, een technische benaming die eigenlijk nog zo gek niet is. Immers het woord literatuur impliceert het gebruik van lettertekens. Naast de schriftelijke literatuur bleef de mondeling vertelde literatuur bestaan. En om het te kunnen onderscheiden van de schriftelijke literatuur is de term orale literatuur helder.
En nu komt de paradox: juist vanaf het tijdstip dat wij het wezenlijke van het vertellen menen te kunnen naspeuren met behulp van bewaard gebleven teksten, duiken de moeilijkheden op met ongedacht grote aantallen.
Ten eerste komen wij veel te laat. Wat betekenen die enkele duizenden jaren schrift in de historie van het mensdom? Het geluid van een miljoen seizoenen is voor ons verloren. Wij weten dus bar weinig.
Ten tweede kwamen in veel oudste optekeningen de verhalen niet terecht in hun volledige vormgeving. Niemand was technisch in staat een verteller bij te houden. Dus werden vertellingen ‘herschreven’.
Ten derde is er de vraag hoe al die verhalen werden onthouden en overgedragen? Werden ze ingeprent? Waren er ‘vertellersscholen’? Mochten leerlingen afwijken van de teksten van de leraar? Van orale culturen weten we dat er ‘vertelhuizen’ waren, waar toekomstige vertellers een jarenlange opleiding kregen.
Ten vierde: Aan wat voor een soort verhalen ging men de voorkeur geven? Scheppingsverhalen? Reis-en avonturenverhalen als het Gilgamesh-epos en de Odyssee. Hoe en wanneer ontstonden sprookjes? Vragen, vragen, vragen.

Tenslotte dienen wij ons de vraag te stellen of onze tijd nog behoefte heeft aan professionele vertellers voor volwassenen. Ik meen dat ze onmisbaar zijn. Ze zijn mijns inziens ‘het zout der aarde’. En ik acht elke volwassenen die niet van vertellen en van verhalen houdt, domweg slecht opgevoed.

Uit: Op de stroom van de rivier
NBLC, 1989