Stichting Vertellen Storytelling Foundation Nationale Verteldagen U zoekt een verhaal? Boekenlijst Links  Over vertellen  Vragen
Vertellers Vertelcursussen

Vertelkringen

Vertelhuizen Mailinglijst Vertelagenda Contact Startpagina  
STICHTING VERTELLEN  Platform voor de Vertelkunst in Nederland

Over Vertellen

Door: Jos van Hest - publicist en verteller

Een verteller moet wat te vertellen hebben. Het gaat om het verhaal, dat is het belangrijkst. De verteller is als persoon niet belangrijk. Hij is alleen maar een anoniem doorgeefluik, een raam zonder naam dat opgezet wordt zodat de lucht in en uit kan waaien, de woorden kunnen stromen.

Een goed verteller heeft geen naam want zijn naam doet er niet toe. Een goed verteller stelt zich dienstbaar op; hij is een ‘dienstverlener’. Dat is een van de grootste verschillen tussen een verteller en een schrijver. Een verteller gaat volledig op in zijn verhaal, meestal een verhaal dat niet eens van hemzelf is. Hij verdwijnt in het verhaal dat gemeenschappelijk bezit is of wordt, dat saamhorigheid bewerkstelligt, een verhaal dat niet letterlijk of woordelijk vast ligt. Een schrijver verzint zwoegend en zwetend zijn eigen verhaal, een individuele uiting voor een individuele lezer, en de schrijver zet daarom zijn schrijversnaam groot op zijn werk en zijn persoonlijkheid en originaliteit worden hoog gewaardeerd; termen als plagiaat en auteursrecht hangen daar ten zeerste mee samen. De tekst van de schrijver is onveranderlijk.

Het belangrijkste van een verteller is zijn verhaal. Zijn woorden en zijn zinnen waarmee hij het verhaal zich laat voltrekken. En de mimiek van de verteller, is de mimiek belangrijk? En zijn gebaren? Zijn stemgebruik, hard en zacht, hoog en laag, geheimzinnig fluisterend, gemeen schreeuwend, vrolijk zingend? Zijn rekwisieten belangrijk, een kostuum, poppen, muziek? Dat is allemaal belangrijk als het ten dienste staat van het verhaal. Acteurs, dansers en mimespelers die performances geven en daarin verhalen opvoeren, zijn nog geen vertellers. Ze laten een opvoering zien en zijn daarbinnen zeer aanwezig. Het publiek ziet hen performen maar daardoor is het onmogelijk om het verhaal te zien. Kunstenmakers zijn het, soms zeer knappe, die voor het verhaal gaan zitten en zodoende het uitzicht op het verhaal ontnemen. Wil het verhaal gezien worden, dan moet de verteller daarin verdwijnen.

Voor het verhaal is de verteller van levensbelang, want zonder de verteller leeft het verhaal niet. Het ligt schijnbaar dood, begraven in sprookjesboeken, boekenkasten, bibliotheken en in het collectieve geheugen van de mensheid. De verteller roept het verhaal tot leven. De verteller geeft het verhaal letterlijk adem. Het verhaal houdt van de verteller omdat het zijn stem, zijn adem is die het verhaal tot leven wekt. Het verhaal is op zoek naar een mond om door uit te komen, naar oren om door in te gaan. Voor het verhaal is de verteller van levensbelang. Maar ook andersom is waar: voor de verteller is het verhaal van levensbelang. Een verteller die niet gegrepen is door zijn verhaal, kan vermoeien met een verhaal dat hem zelf nauwelijks interesseert?
Waarom moet er thuis, op school en in de bibliotheek vaak en veel verteld worden? De antwoorden op die vraag liggen op het educatieve en didactische terrein voor het oprapen:

- het is voor kinderen (trouwens ook voor volwassenen) belangrijk om kennis te nemen van het eigen culturele erfgoed.
- vertellen en voorlezen zijn motiverende activiteiten om kinderen aan het lezen te zetten: een voorbereiding tot leesonderwijs, leesbevordering en boekpromotie.
- via vertelliteratuur kunnen verhalen uit verschillende culturen op school aan bod komen.
- via vertelliteratuur kunnen culturele en morele normen en waarden worden doorgegeven, kan geschiedenis worden verteld, terug gehaald, opnieuw beleefd, overgedragen.
- vertellen, luisteren naar verhalen en zelf verhalen vertellen, stimuleert kinderen in hun taalontwikkeling.

Dat zijn allemaal zeer juiste, heel belangrijke en volstrekt terechte bedoelingen maar de meest essentiële motivatie is er niet bij: het verhaal wil gewoon verteld worden.
Het verhaal is zo mooi, zo intens treurig, zo verschrikkelijk erg, zo poëtisch prachtig, zo weergaloos spannend dat het zich een uitweg baant, een mond uit en oren in.

Als de meester of de juf vertelt, wordt de klas muisstil. Kinderen houden van verhalen. Grote mensen ook. Waarom? Waarom houden mensen van verhalen? Waarom vertellen ze elkaar geschiedenissen, legenden, grappen, belevenissen van de afgelopen week? Waarom worden kinderen en grote mensen stil bij de magische formule Er was eens? Omdat verhalen waar mensen werkelijk stil van worden over hen zelf gaan. Omdat mensen af en toe en vaak op verhaal moeten komen. Omdat iedereen zijn eigen verhaal leeft en er vol van zit. Omdat vertellen oplucht. Omdat vertellen bevrijdt. Omdat vertellen kracht vrij maakt. Omdat vertellen verbeeldingskracht oproept. Omdat mensen in verhalen soms woorden gebruiken voor dingen waar ze eigenlijk geen woorden voor hebben.
Zolang er mensen zijn, zijn er verhalen. Juist door die verhalen zien mensen verhoudingen, verbanden, oorzaken, gevolgen, wonderen. Vertellers met hun verhalen geven vorm aan de wereld. Van het ontstaan van de wereld weten wij weinig of niets. Maar er zijn scheppingsverhalen. Zangen der sterren van de Algonkin-Indianen, scheppingszangen van de Quiche-stam uit Guatemala, het Genesis-verhaal uit de Bijbel, verhalen van de Bataks uit Indonesië. Van het ontstaan van de wereld weten wij alles. Een verhaal van de Quiche’s, uit Guatemala: “Wij verhalen hier hoe de aarde lag verzonken in zwijgen en rust, hoe zij wiegde en hing in de ruimte en verlaten en eenzaam was. Geen vogel, geen vis en geen kreeft, geen stenen, geen grassen, geen bomen, slechts de hemel was boven haar en overal was water. Twee wandelden over de aarde, gehuld in groen en blauw: de Meesteres in het bouwen en met haar Tzutzumatz, de grote Moeder en Vader, ook wel genoemd: ‘De geverfde slang.’ Zij wisten, zij kenden alles, alles kenden en wisten zij. En daar was ook weer de hemel en het hart van de hemel was God. Zijn woord ging uit naar beiden, de Machtige en Tzutzumatz. Zij beraadslaagden en zij spraken, wikten over en weer. En zie: het oerlicht ging op en in dat licht stond de mens.”

Een verteller maakt de oren van zijn publiek tot ogen. Met woorden roept hij beelden op. Kleuren, geuren, geluiden, smaken, tactiele gewaarwordingen. Zijn taalgebruik is oproepend, evocatief. Dat via taal beelden opgeroepen kunnen worden, is een wonder. In de meest schoolsituaties wordt de taal gerationaliseerd; taal wordt geminimaliseerd tot een middel voor informatie-uitwisseling. Het zou een wezenlijk bestanddeel van het taalonderwijs moeten zijn om kinderen op school via vertelliteratuur de evocatieve kracht van taal te laten ervaren.

Hoe word je een verteller? 

Het eerste antwoord dat ik op die vraag wil geven, luidt: je bent het al. 
En het tweede: je moet het nog meer doen. Vertellen leer je door te doen.
En verder:


- ga op zoek naar sprookjes, verhalen, mythen, legenden, sagen, korte verhaaltjes, tonbrekers, raadsels, moppen.
- voel waar je affiniteit ligt: bij heksenverhalen, griezelverhalen, filosofische verhalen,, stapelverhalen, dierenverhalen, Turkse verhalen, Antilliaanse verhalen. Kom erachter waar die emotionele betrokkenheid vandaan komt.
- krijg inzicht in de structuur van verhalen, in beginzinnen, nieuwe aanzetten, herhalingen, de spanningslijn, climax, afronding, plot. Krijg inzicht in de verschillende lagen van een verhaal.
- krijg inzicht in stilistische kenmerken van vertelverhalen, het gebruik van directe en indirecte rede, stijlfiguren als herhaling, tegenstelling, hyperbool, vragen, (en wat denk je dat ..) vergelijkingen, eigen opmerkingen (ik kan het zelf ook nauwelijks geloven..), formules om te openen (dit is een waar gebeurde geschiedenis), formules om te sluiten.
- oefen met fragmenten, korte verfhaaltjes, tongbrekers.
- leer duidelijk en helder spreken.
- zoek naar het effect van vertragen, luid spreken en fluisteren, mimiek, attributen.

Kunnen vertellen is van levensbelang. Vooral in tijden van nood. Het geeft hoop en levenswarmte om al het mooie uit het verleden en al het mooie in de toekomst.

Uit: Op de stroom van de rivier
NBLC, 1989